Statushouders onder starters sociale huur

Statushouders onder starters sociale huur: regionale verschillen in Gelderland

Bouwen en wonen

Het aandeel statushouders onder de starters die een woning van een woningcorporatie betrekken, is de afgelopen jaren flink gestegen. In 2024 had 21 procent van deze starters een huishouden met een statushouder, tegenover 9 procent in 2018. Tegelijkertijd ging bijna 8 procent van alle vrijgekomen corporatiewoningen naar huishoudens met een statushouder. Nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) laten zien hoe deze ontwikkelingen zich verhouden tot de woningmarkt in Gelderland.

Sociale huurwoningen: wat zeggen de CBS-cijfers?

In 2024 kwamen in Nederland 162.000 corporatiewoningen vrij waarin een ander huishouden ging wonen. Ruim 13.000 daarvan werden betrokken door huishoudens met een of meer statushouders. Dat aandeel lag met bijna 8 procent ongeveer op hetzelfde niveau als in 2023.

Binnen de groep starters veranderde de verhouding wel. Het aantal huishoudens met een statushouder dat als starter een vrijgekomen corporatiewoning betrok, steeg van 3.500 in 2018 naar ongeveer 8.800 in 2024. Het aantal starters zonder statushouder dat zo’n woning betrok, bleef in die periode relatief stabiel: 35.000 in 2018 en 32.900 in 2024.

De cijfers komen uit het CBS-onderzoek naar starters in corporatiewoningen. Het is belangrijk onderscheid te maken tussen het aandeel binnen de groep starters en het aandeel van alle vrijgekomen corporatiewoningen. Het eerste percentage zegt iets over de samenstelling van de startersgroep; het tweede over de verdeling van het totale aantal vrijgekomen woningen.

Woningcorporaties Gelderland: verschillen tussen regio’s

De verdeling van vrijgekomen corporatiewoningen aan huishoudens met statushouders verschilt per Gelderse regio. In 2024 bedroeg het aandeel in Arnhem/Nijmegen 9,8 procent. In de Achterhoek was dat 9,1 procent, in Zuidwest-Gelderland 8,9 procent en op de Veluwe 8,1 procent.

Deze cijfers hebben betrekking op de regio’s zoals het CBS die afbakent. Ze laten niet zien hoeveel woningen iedere afzonderlijke gemeente heeft toegewezen, hoeveel woningzoekenden er op de wachtlijst staan of hoe lang zij gemiddeld wachten. Ook kunnen de absolute aantallen per regio verschillen doordat de omvang van de woningvoorraad en het aantal vrijkomende woningen niet gelijk zijn.

Voor gemeenten en woningcorporaties zijn de percentages daarom vooral een vertrekpunt voor verdere analyse. Om de lokale situatie te beoordelen, moeten ook de beschikbare woningvoorraad, het aantal woningtoewijzingen en de ontwikkeling van de wachttijden worden betrokken.

Doorstroming op de woningmarkt speelt mee

Een tweede uitkomst uit het CBS-onderzoek betreft de woning die huishoudens achterlaten na een verhuizing. Van de huishoudens met een statushouder die in 2024 naar een corporatiewoning verhuisden, was 66,8 procent starter. Bij huishoudens zonder statushouder bedroeg dit aandeel 22,1 procent.

Verder kwam bij 15,6 procent van de verhuizende huishoudens met een statushouder een woning vrij. Bij huishoudens zonder statushouder was dat 54,3 procent. In die laatste groep werd dus aanzienlijk vaker een woning achtergelaten die opnieuw beschikbaar kon komen.

Dit verschil is relevant voor de doorstroming, maar moet zorgvuldig worden geïnterpreteerd. Het CBS meet de woningmarktpositie van huishoudens die een vrijgekomen corporatiewoning betrekken. De cijfers bewijzen niet dat een bepaalde groep rechtstreeks verantwoordelijk is voor langere wachttijden van andere woningzoekenden. Daarvoor zijn ook gegevens nodig over de woningvraag, het aanbod, de toewijzingsregels en de ontwikkeling van de wachtlijsten.

Huisvesting statushouders: wat is wettelijk geregeld?

Gemeenten hebben de taak om statushouders, mensen die een verblijfsvergunning hebben gekregen, woonruimte te bieden. Dat betekent niet dat iedere statushouder automatisch voorrang krijgt bij een sociale huurwoning. Volgens de Rijksoverheid bepalen gemeenten welke groepen op grond van hun huisvestingsregels voorrang kunnen krijgen. Gemeenten kunnen onder meer een sociale huurwoning, tijdelijke woonruimte of gedeelde huisvesting aanbieden.

Het kabinet werkt aan een nieuw wetsvoorstel dat voorrang voor statushouders bij sociale huurwoningen moet beëindigen zodra voldoende alternatieve huisvesting beschikbaar is. Dat is een beleidsvoornemen en niet hetzelfde als een reeds ingevoerd landelijk verbod. De actuele beleidslijn is beschreven in de toelichting van het kabinet van 20 maart 2026.

Op 16 oktober 2026 maakten het Rijk, provincies, gemeenten en woningcorporaties daarnaast afspraken over aanvullende woonvormen, zoals flexwoningen, het aanpassen van leegstaande gebouwen en het delen van woningen. Het doel is om meer woonplekken beschikbaar te maken voor verschillende groepen woningzoekenden en de druk op de sociale huurmarkt te verminderen. De afspraken bevatten ook een termijn van anderhalf jaar voor de uitvoering van de ambities. De daadwerkelijke bijdrage aan de woningvoorraad zal afhangen van de realisatie van deze woonvormen.

Wat betekenen de cijfers voor Gelderse woningzoekenden?

De CBS-cijfers laten twee ontwikkelingen naast elkaar zien: het aandeel statushouders onder de starters in corporatiewoningen nam toe, terwijl het aandeel van alle vrijgekomen corporatiewoningen dat naar huishoudens met statushouders ging in 2024 vrijwel gelijk bleef aan dat van het voorgaande jaar. De regionale cijfers tonen bovendien verschillen binnen Gelderland.

In een eerder artikel onderzocht Gelderland Magazine al de bredere oorzaken van de druk op de sociale huurmarkt in ‘Sociale huur onder de loep’. De nieuwe CBS-cijfers voegen daar informatie aan toe over de samenstelling van de groep starters en de woningmarktpositie van huishoudens die verhuizen. Hoe deze cijfers zich vertalen naar de kansen van individuele woningzoekenden, vraagt om aanvullende gegevens over het woningaanbod en de lokale verdeling.

Het statistische bericht is opgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), op basis van gegevens uit Woonbase. Het CBS vermeldt geen individuele auteur bij de publicatie.

Heeft u een foutje gezien of beschikt u over aanvullende informatie? Neem dan contact met ons op.

Weergaven: 23