Afbeelding ter illustratie, gegenereerd door ChatGPT

Waarom staan er zoveel windmolens op land, terwijl Nederland inzet op wind op zee?

Algemeen

Nederland bouwt op zee steeds grotere windparken, maar wie door het binnenland rijdt, ziet dat windenergie allerminst een uitsluitend maritieme aangelegenheid is. Vooral in Flevoland, Groningen en Friesland staan grote aantallen windturbines. In andere delen van Nederland zijn ze veel schaarser. Utrecht telde eind 2024 bijvoorbeeld slechts vijftien windmolens op land.

Die ongelijke verdeling roept een bredere vraag op. Als windenergie onderdeel is van een nationale energietransitie, waarom worden de ruimtelijke gevolgen dan niet volgens een landelijke verdeelsleutel over Nederland verspreid? En waarom bestaat er voor windmolens geen wettelijke spreidingsregeling, zoals die voor de opvang van asielzoekers wel is ingevoerd?

Nederland kiest steeds nadrukkelijker voor wind op zee

Dat Nederland veel windmolens op land heeft, betekent niet dat het kabinet de komende jaren vooral daar nieuwe turbines wil plaatsen. De ontwikkeling van windenergie verschuift juist steeds sterker richting de Noordzee.

Volgens de Rijksoverheid moet er in 2032 ongeveer 21 gigawatt aan windvermogen op zee staan. Nederland heeft daarvoor relatief gunstige omstandigheden: de Noordzee is ondiep, er waait veel en langs de kust bevinden zich grote energiegebruikers en havens. De overheid ziet wind op zee daarom als een van de belangrijke energiebronnen van de toekomst, maar noemt tegelijkertijd windenergie op land als onderdeel van de toekomstige energiemix.

De zee is bovendien geen onbeperkte lege ruimte. Bij de uitbreiding van windenergie moet rekening worden gehouden met onder meer scheepvaart, visserij, defensie, natuur, mijnbouw en zandwinning. Dat werd in maart 2026 nog duidelijk toen het kabinet besloot extra ruimte voor windenergie op de Noordzee aan te wijzen. De nieuwe gebieden bieden volgens het kabinet ruimte voor indicatief 21 gigawatt extra windvermogen, terwijl voor de herindeling € 1,7 miljard wordt gereserveerd.

Ook moet de elektriciteit vanaf zee naar het land worden gebracht. Daarvoor is een afzonderlijk elektriciteitsnet op zee nodig. TenneT krijgt van het Rijk opdracht om dat net aan te leggen en de verbindingen op tijd beschikbaar te hebben voor de nieuwe windparken.

Wind op land blijft onderdeel van de energiemix

Waarom dan toch windmolens op land? Een belangrijk argument is dat wind op land elektriciteit kan produceren op plaatsen die relatief dicht bij gebruikers en bestaande infrastructuur liggen. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland noemt wind op land een van de goedkoopste en efficiëntste bronnen van duurzame elektriciteit en wijst erop dat productie dicht bij de gebruiker voordelen kan hebben voor het elektriciteitsnet.

Daarnaast heeft Nederland een concrete doelstelling voor duurzame energie op land. In dertig Regionale Energiestrategieën werken provincies, gemeenten en waterschappen samen aan de afspraak om in 2030 minimaal 35 terawattuur duurzame energie met wind en grootschalige zonne-energie op land op te wekken. Dat is onderdeel van de bredere klimaatdoelstellingen van Nederland.

Wind op zee vervangt die opgave dus niet automatisch. Nederland werkt tegelijkertijd aan uitbreiding van beide vormen van windenergie.

Flevoland is de onbetwiste koploper

De verschillen tussen provincies zijn groot. De meest recente provinciale CBS-tabel bevat definitieve cijfers tot en met 2023 en voorlopige cijfers over 2024. De cijfers over 2025 zijn vertraagd en worden volgens het CBS in november 2026 gepubliceerd.

Eind 2024 telde Nederland volgens het CBS 2.517 windmolens op land. Flevoland was met 675 turbines veruit de provincie met de meeste windmolens. Het gezamenlijke vermogen bedroeg daar 2.161 megawatt.

Daarmee heeft Flevoland niet alleen de meeste turbines, maar ook veruit het grootste opgestelde windvermogen van alle provincies. Groningen volgde met 300 turbines en 916 megawatt. Noord-Holland telde 334 turbines met 713 megawatt en Friesland 352 turbines met 617 megawatt. Aan de andere kant van de schaal stond Utrecht met vijftien turbines en 34 megawatt. De cijfers zijn exclusief windmolens op zee.

De situatie verandert overigens wel. De Monitor Wind op Land van RVO meldt inmiddels dat er in 2025 ongeveer 2.550 windturbines op land stonden, met samen ruim 7.000 megawatt vermogen. In dat jaar groeide het totale vermogen met 96 megawatt. De groei vond onder meer plaats in Gelderland, Groningen, Noord-Brabant, Noord-Holland, Utrecht, Zeeland en Zuid-Holland.

Het verschil is niet alleen een kwestie van wind

Het zou voor de hand liggen om de verschillen tussen provincies vooral te verklaren uit de hoeveelheid wind. Maar zo eenvoudig is het niet. Flevoland heeft bijvoorbeeld veel meer windmolens dan Utrecht, terwijl de kuststreken over het algemeen gunstigere windcondities hebben. De beschikbaarheid van ruimte en de manier waarop het landschap is ingericht spelen daarom eveneens een belangrijke rol. Flevoland kent grote open gebieden en een grootschalige agrarische inrichting. Dat maakt grootschalige windparken ruimtelijk beter inpasbaar dan in dichtbebouwde gebieden.

In andere provincies zijn de mogelijkheden beperkter. Windturbines moeten rekening houden met onder meer geluid, natuur, vliegveiligheid, radar, landschap en de bestaande infrastructuur. RVO wijst er bijvoorbeeld op dat in vrijwel heel Nederland rekening moet worden gehouden met mogelijke radarverstoring en dat landelijke regels de ontwikkeling van windturbines in bepaalde gebieden beperken. Ook natuurwetgeving kan gevolgen hebben voor de mogelijkheden om windprojecten te realiseren.

De provincie met weinig windmolens heeft daarmee niet automatisch simpelweg ‘nee’ gezegd tegen windenergie. Soms zijn er simpelweg minder locaties waar grote turbines ruimtelijk en technisch kunnen worden ingepast.

Waarom krijgt Utrecht niet gewoon zijn ‘eerlijke aandeel’?

Dat lijkt op het eerste gezicht een logische gedachte. Als Nederland gezamenlijk behoefte heeft aan duurzame elektriciteit, zou je de ruimtelijke gevolgen ook gezamenlijk kunnen verdelen. Maar een windturbine laat zich niet zo eenvoudig verdelen als bijvoorbeeld een aantal opvangplaatsen. De fysieke omstandigheden verschillen sterk per locatie.

Een project moet passen binnen ruimtelijke regels, rekening houden met natuur en omwonenden en kunnen worden aangesloten op het elektriciteitsnet. Ook de omvang van een windpark speelt een rol. Een paar grote moderne turbines kunnen aanzienlijk meer vermogen leveren dan een groter aantal oudere, kleinere turbines.

Daarom zegt het aantal turbines eigenlijk maar beperkt iets over de bijdrage van een provincie. Het is zinvoller om ook naar opgesteld vermogen en daadwerkelijke elektriciteitsproductie te kijken. De CBS-statistieken bevatten daarom naast het aantal windmolens ook gegevens over vermogen en gerealiseerde productie per provincie.

Nederland heeft geen spreidingswet voor windmolens

Nederland heeft er niet voor gekozen om iedere provincie wettelijk een bepaald aantal windmolens of megawatts toe te wijzen. In plaats daarvan wordt de ontwikkeling van windenergie op land grotendeels georganiseerd via de Regionale Energiestrategieën, de RES. Nederland is verdeeld in dertig regio’s waarin provincies, gemeenten en waterschappen samenwerken. Zij bepalen samen waar ruimte kan worden gevonden voor wind- en zonne-energie.

Volgens RVO werken deze overheden binnen de RES aan zoekgebieden en voorkeurslocaties. Provincies vertalen de ambities vervolgens onder meer in hun omgevingsvisies en omgevingsverordeningen.

Het systeem betekent overigens niet dat een gemeente altijd het laatste woord heeft. Voor windparken tussen 15 en 100 megawatt is de provincie in beginsel bevoegd gezag. Voor projecten boven 100 megawatt ligt die bevoegdheid bij het Rijk. De provincie kan bovendien een projectbesluit nemen wanneer een gemeente niet meewerkt aan een initiatief waarvoor de provincie bevoegd is.

Er bestaat dus wel degelijk een mogelijkheid om van bovenaf in te grijpen. Wat ontbreekt, is een nationale verdeelsleutel die bijvoorbeeld bepaalt dat iedere provincie een bepaald percentage van het Nederlandse windvermogen moet realiseren.

Waarom is dat anders dan bij de Spreidingswet?

Het verschil zit vooral in het karakter van de opgave. Bij de opvang van asielzoekers gaat het om een wettelijke taak die rechtstreeks over gemeenten kan worden verdeeld. Bij windenergie gaat het om ruimtelijke ontwikkeling waarbij de geschiktheid van locaties sterk verschilt.

Het zou technisch weinig zinvol zijn om Utrecht bijvoorbeeld te verplichten tot een bepaald aantal turbines wanneer daarvoor onvoldoende geschikte locaties beschikbaar zijn. Een landelijke verdeelsleutel zou dan kunnen botsen met andere nationale belangen, zoals natuur, veiligheid, landschap en de bescherming van omwonenden.

Dat is precies waarom het huidige systeem sterk uitgaat van regionale ruimtelijke afwegingen. De RVO beschrijft dat gemeenten en provincies binnen de RES gezamenlijk bekijken waar duurzame energie mogelijk is en vervolgens zoekgebieden en voorkeurslocaties uitwerken.

Toch ontstaat een verdelingsvraag

Daarmee is de discussie niet voorbij. Want hoewel er goede redenen zijn om windmolens niet simpelweg per inwonertal te verdelen, blijft de feitelijke ongelijkheid opvallend. Flevoland had eind 2024 2.161 megawatt windvermogen op land. Utrecht kwam uit op 34 megawatt. Dat is een verschil van ruim zestig keer.

Dat betekent niet automatisch dat Flevoland onevenredig veel heeft bijgedragen. De provincie beschikt over andere ruimtelijke omstandigheden en een groot deel van het windvermogen is het resultaat van keuzes die over een langere periode zijn gemaakt.

Maar het roept wel een bestuurlijke vraag op: hoe bepalen we wanneer een ongelijke verdeling van de ruimtelijke lasten nog logisch is? Dat is een andere vraag dan of windenergie voor- of nadelen heeft.

Een eerlijke verdeling is meer dan een aantal windmolens

Als Nederland ooit zou kiezen voor een vorm van landelijke spreiding, ligt een simpele verdeling per provincie daarom niet voor de hand. Een provincie met veel inwoners, maar weinig geschikte ruimte, zou niet zonder meer hetzelfde aantal megawatts moeten krijgen als een dunbevolkte provincie met grote open gebieden. Ook zou alleen kijken naar het aantal turbines een vertekend beeld geven.

Een eerlijkere vergelijking zou verschillende factoren kunnen combineren: het aantal inwoners, de oppervlakte, het opgesteld vermogen, de daadwerkelijk geproduceerde elektriciteit en de ruimtelijke belasting voor de omgeving. Daarmee zou de discussie verschuiven van de vraag ‘waar staan de meeste windmolens?’ naar een fundamentelere vraag: ‘hoe worden de lusten en lasten van de energietransitie over Nederland verdeeld?’

Wind op zee verandert het debat, maar beëindigt het niet

De sterke groei van windenergie op zee maakt de vraag naar wind op land niet onmiddellijk overbodig. Het kabinet blijft investeren in nieuwe windparken op de Noordzee. In juni 2026 werd bijvoorbeeld besloten de financiële ondersteuning voor twee nieuwe windparken bij IJmuiden Ver Gamma te verhogen. Het gaat daar om 2 gigawatt nieuw windvermogen dat naar verwachting in 2032 in gebruik kan worden genomen.

Tegelijkertijd blijft Nederland werken aan de ontwikkeling van windenergie op land. Volgens de RVO stond er in 2025 al ruim 7.000 megawatt windvermogen op land en was nog eens 1.723 megawatt aan windturbines in ontwikkeling. De energietransitie speelt zich daarom zowel op zee als op land af.

De echte discussie gaat uiteindelijk niet alleen over de vraag waar het hard waait. Het gaat over de vraag waar Nederland bereid is ruimte beschikbaar te stellen voor energieproductie en hoe de gevolgen daarvan over inwoners en provincies worden verdeeld. Een wettelijke ‘spreidingswet voor windmolens’ zou die kwestie niet automatisch oplossen. Daarvoor verschillen de provincies te sterk in landschap, bevolkingsdichtheid, infrastructuur en technische mogelijkheden.

Maar de grote verschillen tussen bijvoorbeeld Flevoland en Utrecht maken de vraag naar een eerlijkere verdeling wel legitiem. Niet omdat iedere provincie hetzelfde aantal windmolens zou moeten krijgen, maar omdat een nationale energietransitie uiteindelijk ook een nationale discussie over de verdeling van ruimte en lasten is.

Een belangrijke kanttekening: de cijfers in dit artikel laten zien hoe windenergie op land over de provincies is verdeeld. Ze zeggen echter niets over de mening van inwoners over die verdeling. Of inwoners windenergie steunen, hoe zij de gevolgen van windturbines ervaren en of zij vinden dat de lasten en opbrengsten eerlijk worden verdeeld, is in deze analyse niet meegenomen. Ook is niet onderzocht hoeveel inwoners daadwerkelijk binnen de directe omgeving van een windturbine wonen of welke afspraken met omwonenden en gemeenten zijn gemaakt over bijvoorbeeld financiële participatie. De cijfers geven daarmee vooral een beeld van de ruimtelijke en bestuurlijke verdeling van windenergie, en niet van het maatschappelijk draagvlak daarvoor.

Heeft u een foutje gezien of beschikt u over aanvullende informatie? Neem dan contact met ons op.

Weergaven: 18