Nederland wordt rijker, maar waarom komen steeds meer mensen financieel klem te zitten?

Algemeen

Nederland behoort economisch tot de rijkere landen van Europa. De Nederlandse economie profiteert sterk van de Europese interne markt; bedrijven exporteren grote hoeveelheden goederen en diensten en de gemiddelde koopkracht is in 2024 fors gestegen. Tegelijkertijd is er een andere werkelijkheid zichtbaar. In 2024 nam de geregistreerde armoede voor het eerst na vijf jaar weer toe en in 2025 maakten 155.600 mensen gebruik van een voedselbank. Ook heeft 8,6 procent van de Nederlandse huishoudens problematische schulden. Hoe kunnen die ontwikkelingen naast elkaar bestaan in een land dat economisch tot de Europese kopgroep behoort?

Die tegenstelling vormt het vertrekpunt voor een bredere vraag. De Europese Unie heeft Nederland aantoonbaar economische voordelen gebracht, maar economische groei betekent niet automatisch dat ieder huishouden daar in dezelfde mate van profiteert. Wie alleen naar het bruto binnenlands product kijkt, ziet vooral de omvang van de Nederlandse economie. Wie naar het huishoudboekje kijkt, ziet daarnaast verschillen in inkomen, vermogen, woonlasten en financiële buffers. Juist tussen die twee werkelijkheden ontstaat de discussie over bestaanszekerheid.

Nederland heeft aantoonbaar economisch voordeel van de EU

Om te beginnen moet een belangrijk punt helder zijn: er is geen goede basis om te stellen dat Nederland economisch niets aan de Europese Unie heeft. Integendeel. Het Centraal Planbureau berekende dat het Nederlandse bruto binnenlands product structureel ongeveer 3,1 procent hoger ligt door de handelsvoordelen van de Europese Unie. Volgens het CPB ligt de Nederlandse goederenexport door de Europese integratie bijna 25 procent hoger en de dienstenexport bijna 20 procent hoger dan zonder de handelsvoordelen van de EU. De CPB-analyse over de handelsbaten van de EU en de interne markt laat daarmee zien hoe belangrijk Europese economische integratie voor Nederland is.

Dat effect is voor Nederland extra relevant, omdat het een relatief kleine, open economie is. Nederlandse bedrijven kunnen binnen de interne markt goederen en diensten afzetten in een veel groter economisch gebied dan alleen Nederland. Europese regels verminderen handelsbarrières en maken grensoverschrijdende handel eenvoudiger. Dat komt niet uitsluitend ten goede aan grote multinationals. Exporterende bedrijven hebben werknemers nodig, buitenlandse ondernemingen investeren in Nederland en Nederlandse bedrijven leveren producten en diensten aan ondernemingen die internationaal actief zijn.

De Europese interne markt kan daardoor via verschillende wegen bijdragen aan Nederlandse welvaart. Maar daar zit tegelijkertijd de eerste belangrijke nuance. Een grotere economie betekent niet automatisch dat ieder huishouden een even groot deel van die economische winst ontvangt.

Een hoger bbp is niet hetzelfde als meer geld in de portemonnee

Het bruto binnenlands product meet de waarde van de productie van goederen en diensten in een economie. Het is daarmee een belangrijke maatstaf voor economische omvang en groei, maar het is geen huishoudboekje. Het zegt niet rechtstreeks hoeveel een gezin na betaling van huur, energie, zorg, boodschappen en belastingen overhoudt.

Dat onderscheid is essentieel. Een economie kan groeien terwijl de financiële positie van bepaalde groepen nauwelijks verbetert. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer inkomensontwikkeling sterk uiteenloopt of wanneer bepaalde groepen wel profiteren van economische groei, terwijl andere huishoudens vooral te maken hebben met hogere vaste lasten.

Het betekent overigens niet dat Nederlanders de afgelopen jaren als geheel achteruit zijn gegaan. Het tegenovergestelde is op verschillende terreinen zichtbaar. Volgens het CBS steeg de doorsnee koopkracht in 2024 met 3,6 procent. Dat was de grootste stijging in ruim twintig jaar. Vooral werknemers gingen erop vooruit: hun doorsnee koopkracht steeg met 5,3 procent. De cao-lonen stegen in dat jaar met 6,8 procent, tegenover een inflatie van 3,1 procent.

Dat is een belangrijk gegeven, omdat het voorkomt dat de discussie uitsluitend vanuit een negatief beeld wordt gevoerd. Voor veel huishoudens verbeterde de financiële positie daadwerkelijk. Tegelijkertijd laat hetzelfde CBS-onderzoek zien dat die verbetering niet gelijkmatig over alle groepen was. De doorsnee koopkracht van mensen in een bijstandshuishouden steeg in 2024 bijvoorbeeld slechts met 0,2 procent. Het verschil tussen gemiddelden en individuele situaties is daarmee belangrijker dan het op het eerste gezicht lijkt.

Koopkracht stijgt, maar niet iedereen gaat even hard vooruit

Het begrip koopkracht wordt vaak gebruikt alsof het een soort gemiddelde loonstrook van Nederland is. Dat is het niet. Het CBS meet de doorsnee koopkrachtontwikkeling: de helft van de bevolking heeft een lagere ontwikkeling en de andere helft een ontwikkeling die minstens zo hoog of hoger is. Binnen dat gemiddelde kunnen dus aanzienlijke verschillen bestaan.

In 2024 steeg de koopkracht van de laagste tien procent van de inkomensverdeling volgens het CBS met slechts 0,1 procent. In de tweede inkomensgroep was de stijging 2,5 procent, terwijl verschillende middeninkomensgroepen een duidelijk sterkere stijging kenden. Daarmee is het niet juist om te zeggen dat iedereen in Nederland 3,6 procent meer financiële ruimte kreeg.

Ook de omstandigheden waaronder huishoudens leven verschillen sterk. Een gezin met een eigen woning, een financiële buffer en een stijgend inkomen bevindt zich in een andere positie dan een alleenstaande huurder met een laag inkomen en nauwelijks spaargeld. Zelfs wanneer beide huishoudens hetzelfde percentage inkomensgroei krijgen, kan het effect op hun dagelijks leven totaal verschillend zijn.

Daarom is het nuttiger om niet alleen te vragen hoeveel het inkomen stijgt, maar ook hoeveel daarvan overblijft nadat de noodzakelijke kosten zijn betaald.

De prijzen zijn gestegen en die stijging verdwijnt niet zomaar

Daar komt een tweede economisch mechanisme bij. Wanneer de inflatie daalt, betekent dat niet dat de prijzen terugkeren naar het oude niveau. Inflatie meet de snelheid waarmee prijzen stijgen. Een periode van hoge inflatie kan het prijsniveau structureel verhogen, waarna een lagere inflatie betekent dat prijzen minder snel verder stijgen.

In 2025 bedroeg de Nederlandse inflatie gemiddeld 3,3 procent. Het CBS meldt dat vooral huisvesting, voedingsmiddelen en alcoholvrije dranken een grote bijdrage leverden aan de inflatie. Dat betekent dat huishoudens in 2025 opnieuw met gemiddeld hogere prijzen te maken kregen dan in 2024, bovenop de prijsstijgingen uit eerdere jaren.

Voor een huishouden met een ruime financiële buffer is een dergelijke ontwikkeling vervelend, maar doorgaans op te vangen. Voor een huishouden dat vrijwel het volledige inkomen iedere maand uitgeeft aan noodzakelijke kosten, ligt dat anders. Daar kan een relatief beperkte stijging van meerdere vaste lasten gezamenlijk het verschil maken tussen rondkomen en tekortkomen. Daarom zegt het inflatiepercentage op zichzelf onvoldoende over de financiële druk die mensen ervaren.

Vooral de vaste lasten bepalen hoeveel ruimte er overblijft

Het Centraal Planbureau heeft juist daarom gekeken naar de vaste en noodzakelijke lasten van huishoudens met middeninkomens. Het gaat daarbij onder meer om huur en abonnementen, maar ook om noodzakelijke uitgaven zoals voedsel en kleding. Uit het onderzoek van het CPB naar vaste en noodzakelijke lasten blijkt dat deze lasten tussen 2019 en 2023 gemiddeld stegen van ongeveer 21.000 naar 23.000 euro per jaar.

Dat klinkt op zichzelf als een verslechtering, maar het CPB constateerde tegelijkertijd dat de inkomens van deze groep sneller stegen. Daardoor daalde het aandeel van het inkomen dat aan vaste en noodzakelijke lasten werd besteed gemiddeld van 50 naar 46 procent.

Ook dit cijfer verdient dus een genuanceerde interpretatie. Het is niet correct om te stellen dat de vaste lasten voor de gemiddelde middeninkomensgroep de afgelopen jaren simpelweg onbetaalbaar zijn geworden. De inkomens stegen gemiddeld harder.

Maar gemiddelden vertellen niet alles. Binnen de groep middeninkomens bestaan verschillen in huishoudenssamenstelling, woonlasten, vermogen en inkomenszekerheid. De financiële positie van iemand met een hoog middeninkomen en een koopwoning is niet zonder meer vergelijkbaar met die van iemand met een vergelijkbaar inkomen die huurt en nauwelijks vermogen heeft. Daarmee wordt de woningmarkt ook een onderdeel van de discussie over ongelijkheid.

Vermogen maakt een groot verschil

Wie een financiële buffer heeft, kan tijdelijke tegenvallers gemakkelijker opvangen. Wie een eigen woning bezit en vermogen heeft opgebouwd, beschikt bovendien over een bezit dat niet alleen financiële waarde vertegenwoordigt, maar ook een vorm van zekerheid kan bieden.

Voor huishoudens zonder vermogen ligt dat anders. Een onverwachte rekening kan dan direct gevolgen hebben voor de betaalbaarheid van andere uitgaven. Dat verklaart mede waarom het verschil tussen inkomen en financiële kwetsbaarheid zo groot kan zijn.

De nieuwe armoedemeting van CBS, SCP en Nibud probeert juist met dat verschil rekening te houden. Het CBS beschrijft in Leven in Armoede 2025 dat een huishouden als arm wordt beschouwd wanneer na het betalen van de vaste lasten voor wonen, energie en zorg onvoldoende middelen overblijven voor andere basisbehoeften. Daarbij wordt ook rekening gehouden met het beschikbare vermogen. Dat is een wezenlijk andere benadering dan alleen kijken naar het salaris.

Armoede nam in 2024 weer toe

Volgens de nieuwe CBS-meting waren in 2024 ongeveer 551.000 mensen arm. Dat kwam neer op 3,1 procent van de bevolking, tegenover 2,7 procent in 2023. Daarmee kwam na vijf achtereenvolgende jaren van daling een einde aan de afname van de armoede.

Het CBS legt uit dat de armoede in 2024 vooral toenam doordat tijdelijke energiemaatregelen uit 2022 en 2023 wegvielen. In die jaren kregen huishoudens met lage inkomens onder meer een energietoeslag, waardoor de armoede tijdelijk sterker werd gedempt. In 2024 viel die specifieke ondersteuning weg.

Tegelijkertijd is het belangrijk om het cijfer in historisch perspectief te plaatsen. In 2018 waren volgens dezelfde meetmethode nog ongeveer 1,2 miljoen mensen arm. De 551.000 van 2024 zijn dus aanzienlijk minder dan zes jaar eerder. De recente stijging betekent niet dat Nederland in algemene zin terug is op het niveau van 2018.

De ontwikkeling laat vooral zien hoe gevoelig de financiële positie van lage inkomens kan zijn voor veranderingen in prijzen en overheidsmaatregelen.

Ook mensen met werk kunnen arm zijn

Een van de meest interessante onderdelen van de huidige cijfers is dat armoede niet uitsluitend een probleem van werkloosheid of uitkeringsafhankelijkheid is.

Volgens het CBS had 32,6 procent van de mensen die in 2024 in armoede leefden een huishouden waarin inkomen uit werknemerswerk de belangrijkste inkomensbron was. Bij nog eens 15,3 procent was inkomen uit zelfstandigheid de belangrijkste bron. Dat betekent niet dat 32,6 procent van alle werknemers arm is. Het gaat om de samenstelling van de groep mensen die volgens de gehanteerde definitie arm zijn.

Van de mensen in werknemershuishoudens was 1,7 procent arm. Bij zelfstandigen lag dat percentage op 3,9 procent. Onder zelfstandigen zonder personeel lag het risico volgens het CBS hoger.

Dat onderscheid is belangrijk. Het laat zien dat werken in Nederland nog altijd een sterke bescherming tegen armoede vormt, maar geen absolute garantie is. Wie werkt voor een laag inkomen, weinig uren maakt, onzeker werk heeft of als zelfstandige weinig winst overhoudt, kan financieel kwetsbaar blijven. Het beeld van de “arme Nederlander” als iemand zonder baan is daarom te eenvoudig.

De afstand tot de armoedegrens kan groot zijn

Ook de diepte van armoede verdient aandacht. Het CBS berekende dat het inkomen van mensen in armoede in 2024 in doorsnee 19 procent onder de armoedegrens lag. Bij mensen in arme werknemershuishoudens was dat tekort 22 procent en bij zelfstandigen 33 procent.

Het CBS laat in de analyse van de financiële situatie bij armoede bovendien zien dat de financiële buffers van veel arme huishoudens beperkt zijn. Voor driekwart van de mensen in armoede bedroeg de vermogensbuffer maximaal 25 procent van de armoedegrens. Zonder inkomen zou zo’n huishouden daarmee volgens het CBS nog geen drie maanden kunnen overbruggen.

Dat gegeven is belangrijker dan het misschien lijkt. Een huishouden kan op papier een inkomen hebben dat net boven een bepaalde grens ligt, maar toch financieel zeer kwetsbaar zijn wanneer er nauwelijks spaargeld beschikbaar is.

Daarom is bestaanszekerheid niet uitsluitend een kwestie van inkomen. Het gaat ook om de vraag of iemand een financiële tegenvaller kan opvangen.

De voedselbank is geen officiële armoedestatistiek

Tegen deze achtergrond vallen de cijfers van Voedselbanken Nederland op. In 2025 maakten volgens de organisatie 155.600 mensen gebruik van voedselhulp, een stijging van 7,5 procent ten opzichte van 2024. Wekelijks kregen 35.860 huishoudens voedselhulp. Voedselbanken Nederland signaleert bovendien dat steeds vaker werkenden, zzp’ers en AOW’ers zonder aanvullend pensioen hulp vragen.

De cijfers van Voedselbanken Nederland over 2025 zijn relevant als signaal uit de samenleving, maar moeten juridisch en journalistiek zorgvuldig worden geïnterpreteerd. Het aantal voedselbankklanten is namelijk niet hetzelfde als het aantal mensen dat volgens de officiële CBS-definitie arm is. Voedselbanken werken met eigen toelatingscriteria en hun klantenbestand kan worden beïnvloed door veranderingen in lokale hulpverlening en bekendheid met de voorziening.

Het is daarom niet verantwoord om op basis van de voedselbankcijfers alleen te concluderen dat de officiële armoede met 7,5 procent is gestegen. Wel laat de ontwikkeling zien dat de vraag naar voedselhulp in 2025 opnieuw toenam, terwijl de officiële armoedemeting al een stijging in 2024 liet zien. Die twee ontwikkelingen kunnen elkaar aanvullen, maar mogen niet als hetzelfde statistische verschijnsel worden gepresenteerd.

Leven Nederlanders dan boven hun stand?

Daarmee komen we bij een ongemakkelijke vraag. Zijn financiële problemen in Nederland misschien vooral het gevolg van mensen die boven hun stand leven? Het eerlijke antwoord is dat persoonlijke keuzes zeker een rol spelen. Mensen kunnen te veel lenen, structureel meer uitgeven dan ze verdienen of onvoldoende rekening houden met financiële risico’s. Niet iedere schuld is veroorzaakt door hoge woonlasten of stijgende boodschappenprijzen.

Maar de beschikbare cijfers bieden evenmin steun voor de gedachte dat financiële problemen hoofdzakelijk door onverantwoord consumentengedrag ontstaan. Het CBS registreerde op 1 januari 2025 bij 8,6 procent van de huishoudens problematische schulden. De CBS-cijfers over geregistreerde problematische schulden laten zien dat dit een omvangrijk maatschappelijk verschijnsel is.

Daarnaast blijkt uit het armoedeonderzoek dat problematische schulden juist relatief vaak voorkomen bij mensen die al financieel kwetsbaar zijn. In 2024 had 26 procent van de arme werkenden geregistreerde problematische schulden. Bij arme werknemers ging het om ongeveer 22 procent en bij arme zzp’ers om 34 procent. Bij zelfstandigen met personeel lag het percentage nog hoger.

Dat maakt het verband tussen inkomen en schulden ingewikkelder dan het klassieke beeld van iemand die simpelweg “te veel heeft uitgegeven”.

De paradox wordt daarmee zichtbaar

We komen daarmee terug bij de oorspronkelijke tegenstelling. Nederland profiteert aantoonbaar van de Europese interne markt. Volgens het CPB ligt het Nederlandse bbp structureel hoger dankzij de handelsvoordelen van de EU. Tegelijkertijd is de Nederlandse economie niet één groot huishouden waarin die extra economische waarde automatisch gelijkmatig over alle inwoners wordt verdeeld.

Ook de andere kant moet worden benoemd. De gemiddelde koopkracht steeg in 2024 aanzienlijk, de armoede ligt veel lager dan in 2018 en de inkomens van veel werknemers zijn sterker gestegen dan de inflatie. Het zou daarom feitelijk onjuist zijn om te stellen dat Nederlanders als geheel steeds armer worden. Maar daaruit volgt evenmin dat financiële problemen slechts een kwestie van verkeerde persoonlijke keuzes zijn.

De cijfers laten een genuanceerder beeld zien. Nederland is economisch rijk, de gemiddelde koopkracht kan stijgen en tegelijkertijd kan een deel van de bevolking weinig financiële ruimte of buffer hebben. Vooral wanneer noodzakelijke kosten een groot deel van het beschikbare inkomen opslokken, kunnen huishoudens kwetsbaar blijven voor prijsstijgingen, inkomensverlies of onverwachte uitgaven.

De vraag die daaruit voortkomt, is misschien interessanter dan de vraag of de EU goed of slecht is voor Nederland. Het gaat om de verdeling van de economische opbrengsten. Wie profiteert relatief veel van de Europese interne markt? Wie profiteert van stijgende vermogens en huizenprijzen? Wie heeft onderhandelingsmacht op de arbeidsmarkt? En wie heeft juist weinig ruimte om hogere kosten op te vangen? Daarmee verschuift de discussie van de omvang van de Nederlandse economie naar de verdeling van economische kansen en risico’s.

En precies daar ligt de brug naar het tweede deel van deze analyse. Want wanneer we Nederland niet langer als één gemiddeld huishouden bekijken, maar onderscheid maken tussen praktisch en theoretisch opgeleiden, huurders en woningbezitters, werknemers en zelfstandigen, lage en hoge inkomens en mensen met en zonder vermogen, ontstaat een veel scherper beeld van de vraag wie uiteindelijk profiteert van de economische groei die Nederland mede dankzij Europa realiseert, en wie relatief veel van de rekening draagt.

Binnekort deel 2: Wie profiteert van de Nederlandse welvaart? De rekening van groei, arbeid en vermogen

Heeft u een foutje gezien of beschikt u over aanvullende informatie? Neem dan contact met ons op.

Weergaven: 47