In het eerste deel van deze analyse stond de paradox centraal: Nederland is economisch een rijk land, de economie profiteert aantoonbaar van de Europese interne markt en de gemiddelde koopkracht is op verschillende momenten sterk verbeterd. Tegelijkertijd blijft een deel van de bevolking financieel kwetsbaar. De vraag die daaruit volgt, is misschien nog belangrijker: waar komt die kwetsbaarheid vandaan en wie profiteert daadwerkelijk van de economische groei?
Daarbij is het verleidelijk om één oorzaak aan te wijzen. Brussel, arbeidsmigratie, de Nederlandse overheid, werkgevers, de woningmarkt of burgers die te veel zouden uitgeven. De werkelijkheid is ingewikkelder. Verschillende ontwikkelingen grijpen in elkaar en hebben bovendien niet voor iedere Nederlander dezelfde uitwerking. De Europese interne markt kan economische groei stimuleren, terwijl een grotere arbeidsmarkt in sommige sectoren tegelijkertijd extra concurrentie kan betekenen. Een stijgende woningwaarde kan voor een eigenaar vermogensgroei betekenen, terwijl dezelfde ontwikkeling voor iemand zonder koopwoning juist een hogere toetredingsdrempel kan opleveren. Daarom is het zinvol om niet alleen naar Nederland als geheel te kijken, maar ook naar verschillen tussen groepen.
Praktisch opgeleid betekent niet minder waardevol
Wie over economische verschillen schrijft, moet zorgvuldig omgaan met begrippen als laagopgeleid en hoogopgeleid. Een theoretische opleiding en een praktische opleiding vertegenwoordigen verschillende soorten kennis en vaardigheden. Een installateur, monteur, vrachtwagenchauffeur, verpleegkundige of vakman beschikt over kennis die voor de Nederlandse economie noodzakelijk kan zijn, maar die niet altijd in een academisch diploma wordt uitgedrukt.
Het Centraal Planbureau en het Sociaal en Cultureel Planbureau hebben eerder onderzocht hoe de arbeidsmarktpositie van mensen met verschillende opleidingsniveaus zich ontwikkelde. Het onderzoek van CPB en SCP naar de onderkant van de arbeidsmarkt laat zien dat het verschil in uurloon tussen laag- en hoogopgeleiden sinds 1990 toenam. Ook nam laagbetaald en onzeker werk sterker toe onder laagopgeleiden. Het rapport uit 2015 bevat daarnaast scenario’s voor 2025. Die scenario’s moeten nadrukkelijk niet worden gelezen als actuele voorspellingen of actuele cijfers; het zijn berekeningen op basis van de toen bekende ontwikkelingen.
Juist dat onderscheid is belangrijk. We kunnen het rapport gebruiken om een structureel vraagstuk te beschrijven, maar niet om te beweren dat de voorspelde situatie zich exact zo heeft voorgedaan. De Nederlandse arbeidsmarkt is sinds 2015 sterk veranderd, onder meer door de coronapandemie, de daaropvolgende arbeidsmarktkrapte, technologische ontwikkelingen en veranderingen in lonen.
De onderliggende vraag blijft echter actueel: hoe ontwikkelt de positie van mensen die werk doen waarvoor minder formele scholing wordt gevraagd ten opzichte van mensen met een hogere opleiding?
Een krappe arbeidsmarkt biedt niet iedereen dezelfde onderhandelingsmacht
Een tekort aan werknemers klinkt op het eerste gezicht gunstig voor werknemers. Werkgevers hebben personeel nodig en zouden daardoor bereid kunnen zijn hogere lonen, betere contracten of aantrekkelijkere arbeidsvoorwaarden te bieden.
In de praktijk verschilt de onderhandelingspositie sterk per beroep en sector. Een werknemer met specialistische kennis waarvoor nauwelijks personeel beschikbaar is, kan meer onderhandelingsmacht hebben dan iemand die relatief gemakkelijk te vervangen is. Het feit dat beide mensen werken, zegt dus weinig over hun positie tegenover een werkgever.
Het CPB constateerde dat werkgevers op sommige arbeidsmarkten over marktmacht beschikken. In een CPB-notitie over marktmacht op de Nederlandse arbeidsmarkt wordt beschreven dat werkgevers onder bepaalde omstandigheden lonen lager kunnen houden dan het niveau dat in een volledig concurrerende arbeidsmarkt zou ontstaan.
Dat betekent niet dat iedere werkgever te weinig betaalt of dat lage lonen per definitie het gevolg zijn van werkgeversmacht. De arbeidsmarkt bestaat uit veel verschillende sectoren en functies. Wel maakt het duidelijk waarom een krappe arbeidsmarkt niet automatisch betekent dat iedere werknemer dezelfde loonstijging kan afdwingen.
Daarmee ontstaat een belangrijk onderscheid tussen werk hebben en een sterke positie hebben op de arbeidsmarkt. Een baan biedt inkomen, maar de onderhandelingspositie bepaalt mede hoeveel dat inkomen kan groeien en welke arbeidsvoorwaarden daarbij horen.
De Europese arbeidsmarkt vergroot het aanbod van werknemers
Hier komt de Europese Unie opnieuw in beeld. Het vrije verkeer van werknemers is een fundamenteel onderdeel van het Europese recht. EU-burgers mogen onder voorwaarden in een andere lidstaat werken zonder daar eerst een werkvergunning voor nodig te hebben. Daarbij geldt in beginsel gelijke behandeling ten opzichte van werknemers uit het gastland. Dat volgt onder meer uit artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De Europese Commissie legt de regels voor het vrije verkeer van werknemers uit.
Voor Nederland betekent dit dat werkgevers kunnen putten uit een veel grotere Europese arbeidsmarkt. Dat kan economisch voordeel opleveren wanneer vacatures moeilijk te vervullen zijn. Bedrijven kunnen productie voortzetten, uitbreiden of diensten blijven aanbieden wanneer zij onvoldoende werknemers in Nederland kunnen vinden.
Maar een grotere arbeidsmarkt heeft ook een andere kant. Wanneer het aanbod van werknemers in een bepaalde sector groter wordt, kan de onderhandelingspositie van werknemers veranderen. Het effect daarvan is niet overal hetzelfde en hangt onder meer af van de vraag naar arbeid, het soort werk, de loonvorming en de mate waarin werkgevers daadwerkelijk met personeelstekorten kampen.
Daarom is het te simpel om te zeggen dat arbeidsmigratie Nederlandse werknemers benadeelt. Maar het is evenmin terecht om te doen alsof een grotere arbeidsmarkt uitsluitend voordelen heeft.
Arbeidsmigratie heeft economische baten, maar ook maatschappelijke kosten
Het CPB onderzocht in 2025 specifiek de economische effecten van arbeidsmigratie. In het onderzoek De economische effecten van arbeidsmigratie benadrukt het planbureau dat de gevolgen sterk afhangen van het type arbeidsmigrant en de omstandigheden waaronder iemand in Nederland werkt. Arbeidsmigratie kan helpen personeelstekorten te verminderen en de productie te verhogen, maar de gevolgen voor bijvoorbeeld lonen, publieke financiën en welvaart verschillen per groep. Dat is een belangrijkere conclusie dan de vraag of arbeidsmigratie in algemene zin “goed” of “slecht” is.
De overheid kwam in 2025 zelf tot een vergelijkbare constatering. In het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Arbeidsmigratie staat dat het aantal laagbetaalde banen de afgelopen jaren drie keer zo hard is gegroeid als het overige aantal banen. Volgens de overheid werkt bijna de helft van de EU-arbeidsmigranten met een uitzendcontract. Zij zijn onder meer actief in logistiek, de glastuinbouw, de vleessector en de metaalindustrie.
Dat rapport is interessant, omdat het niet uitsluitend kijkt naar de vraag hoeveel arbeidsmigranten Nederland nodig heeft. Het stelt ook de vraag waarom de Nederlandse economie zoveel laagbetaalde arbeid nodig heeft. Dat is een wezenlijk andere benadering.
Goedkope arbeid is ook een economische keuze
Wanneer bedrijven moeilijk personeel kunnen vinden, zijn er verschillende manieren om daarop te reageren. Een bedrijf kan lonen verhogen, arbeidsvoorwaarden verbeteren, processen automatiseren, investeren in productiviteit of personeel uit andere landen aantrekken. Welke keuze uiteindelijk wordt gemaakt, hangt af van de kosten en baten.
Wanneer goedkope arbeid relatief gemakkelijk beschikbaar is, kan de economische prikkel om te automatiseren of het werk anders te organiseren kleiner zijn. Dat is geen beschuldiging aan individuele werkgevers. Ondernemers reageren op de omstandigheden waarin zij moeten concurreren. De vraag is daarom vooral welke prikkels de overheid creëert.
Het kabinet wees in het IBO Arbeidsmigratie op de noodzaak om de vraag naar laagbetaalde arbeid te verminderen. De eerste van de vijf bouwstenen van het onderzoek heet letterlijk ‘Minder vraag naar laagbetaalde arbeid’. Het rapport noemt onder meer het verhogen van het minimumloon, het beperken van flexibele uitzendarbeid en een uitzendverbod in bepaalde risicosectoren als mogelijke maatregelen. Volgens de onderzoekers kan een hogere prijs en kwaliteit van arbeid de vraag naar laagbetaalde arbeid en daarmee ook de vraag naar arbeidsmigranten in laagwaardige banen verminderen. Lees het volledige IBO Arbeidsmigratie – Wat werkt voor de toekomst.
Daarmee wordt zichtbaar dat arbeidsmigratie niet uitsluitend een immigratievraagstuk is. Het is ook een vraagstuk over de inrichting van de Nederlandse economie.
Arbeidsmigratie is niet hetzelfde als verdringing
Daarbij moet een belangrijke grens worden getrokken. Het is niet verantwoord om te stellen dat arbeidsmigranten Nederlandse werknemers massaal uit hun banen verdringen. Onderzoek van CPB en SCP naar verdringing op de arbeidsmarkt laat zien dat verdringing een complex verschijnsel is. Het onderzoek kijkt naar verschillende mogelijke vormen van verdringing, waaronder verschillen naar migratieachtergrond en opleiding. Het effect is afhankelijk van de omstandigheden op de arbeidsmarkt.
Bovendien kan arbeidsmigratie juist bijdragen aan economische groei wanneer vacatures anders niet worden vervuld. Dat is vooral relevant in sectoren waarin structurele personeelstekorten bestaan.
Het journalistiek juiste uitgangspunt is daarom niet dat arbeidsmigranten “banen afpakken”, maar dat een grotere arbeidsmarkt de verhouding tussen vraag en aanbod van arbeid kan veranderen. Wat daarvan het gevolg is voor lonen en arbeidsvoorwaarden, verschilt per sector en groep. Die nuance is belangrijk, omdat anders een economische discussie al snel verandert in een ongenuanceerde beschuldiging richting een specifieke groep werknemers.
De woningmarkt maakt het verschil tussen inkomen en vermogen groter
Naast arbeid is er een tweede factor die zwaar weegt: vermogen. Nederland kent een veel grotere ongelijkheid in vermogen dan in inkomen. Volgens de actuele CBS-cijfers hadden de huishoudens in de onderste drie vermogensdecielen (deciel) in 2024 gemiddeld een vermogen van min €12.800, terwijl het tiende vermogensdeciel gemiddeld €1,872 miljoen bezat. Het gemiddelde vermogen van de top 1 procent bedroeg ongeveer €8,034 miljoen. De CBS-publicatie Vermogensverdeling in beeld bevat deze cijfers; de cijfers over 2024 zijn voorlopig.
Dat zijn gemiddelde bedragen. Ze zeggen dus niet dat iedere Nederlander in de onderste drie decielen €12.800 schuld heeft of dat iedere persoon in het hoogste deciel bijna €1,9 miljoen bezit. Maar ze laten wel zien hoe sterk vermogen over huishoudens verschilt.
Vermogen is bovendien niet alleen spaargeld. Het bestaat onder meer uit banktegoeden, beleggingen, ondernemingsvermogen en de waarde van de eigen woning, minus schulden. Juist die eigen woning is belangrijk.
Een koopwoning is ook een vermogenspositie
De CBS-cijfers laten een zeer groot verschil zien tussen woningbezitters en huurders. In 2024 hadden woningbezitters gemiddeld €563.800 vermogen, tegenover €40.400 bij huurders. Het CBS benadrukt dat het om gemiddelde bedragen gaat en dat de cijfers over 2024 voorlopig zijn. De CBS-cijfers over vermogen naar woningbezit laten daarnaast zien dat het verschil in vermogen tussen woningbezitters en huurders in vrijwel alle leeftijdsgroepen groot is.
Dat verschil mag niet worden geïnterpreteerd als het bedrag dat een huurder “misloopt” of als puur het resultaat van stijgende huizenprijzen. Het vermogen van een woningbezitter bestaat ook uit andere bezittingen en wordt verminderd met schulden. Bovendien zijn woningbezitters gemiddeld anders samengesteld naar leeftijd, inkomen en huishoudtype dan huurders.
Toch is de relatie tussen woningbezit en vermogen onmiskenbaar. Een woning is niet alleen een plek om te wonen, maar voor veel huishoudens ook een belangrijke vermogenscomponent. Wie een woning bezit, kan daardoor gedurende tientallen jaren vermogen opbouwen. Wie huurt, bouwt via de woning zelf geen eigendomsvermogen op.
Het CBS laat bovendien zien dat woonlasten gemiddeld zwaarder drukken op huurders. In 2022 bedroeg de gemiddelde woonquote 34 procent bij huurders van particuliere verhuurders, 25 procent bij corporatiehuurders en 19 procent bij eigenaren. De CBS-analyse van kansenongelijkheid op de woningmarkt zet deze verschillen naast elkaar. Daarmee kan wonen invloed hebben op zowel de maandelijkse financiële ruimte als de mogelijkheid om vermogen op te bouwen.
Wie al bezit heeft, heeft een andere uitgangspositie
Dat is geen argument tegen woningbezit. Voor veel Nederlandse huishoudens is een eigen huis juist een belangrijke vorm van financiële zekerheid. Maar het betekent wel dat de uitgangspositie van huishoudens sterk kan verschillen.
Iemand die twintig jaar geleden een woning kocht, heeft mogelijk inmiddels aanzienlijke overwaarde. Iemand van dezelfde leeftijd die altijd heeft gehuurd, beschikt niet over die specifieke vermogensopbouw. Als die persoon vervolgens een woning wil kopen, moet hij bovendien concurreren op een markt waarop de prijzen sterk zijn gestegen ten opzichte van eerdere generaties.
Het CBS constateerde dat in 2022 meer dan 90 procent van de huishoudens in de hoogste inkomensdecielgroep een koopwoning had, tegenover iets meer dan 10 procent in de laagste inkomensdecielgroep. De CBS-analyse over ongelijke kansen op de woningmarkt laat daarmee zien dat inkomen en woningbezit sterk met elkaar samenhangen.
Dat betekent niet dat inkomen de enige verklaring is. Leeftijd, huishoudsamenstelling, vermogen van ouders en regionale woningprijzen spelen eveneens een rol. Maar het maakt wel duidelijk waarom economische groei niet voor iedereen dezelfde financiële uitwerking heeft.
De vermogensongelijkheid gaat verder dan huizen
De verschillen zitten bovendien niet alleen in woningen. De CBS-cijfers laten zien dat het vermogen van het hoogste vermogensdeciel in 2024 gemiddeld €1,872 miljoen bedroeg. Het vermogen van de onderste drie decielen was gemiddeld negatief. Tegelijkertijd bedroeg het gemiddelde vermogen van het midden van de vermogensverdeling ongeveer €250.200.
Het verschil tussen inkomen en vermogen is daarbij fundamenteel. Inkomen moet opnieuw worden verdiend. Vermogen kan rendement opleveren, kan worden gebruikt als onderpand en kan worden doorgegeven aan kinderen. Daarmee kan een vermogenspositie zichzelf onder bepaalde omstandigheden versterken.
Ook nalatenschappen spelen hierbij een rol. Het CBS heeft in dezelfde publicatie gegevens opgenomen over verkrijgingen en laat zien dat de gemiddelde verkrijgingen oplopen naarmate het vermogensdeciel hoger is. In het tiende vermogensdeciel lag de gemiddelde verkrijging over de onderzochte periode aanzienlijk hoger dan in de meeste andere vermogensdecielen.
Daarmee ontstaat een economisch mechanisme dat losstaat van de Europese Unie, maar wel belangrijk is voor de vraag waarom economische groei niet automatisch tot gelijke financiële kansen leidt.
De positie van praktisch opgeleiden is niet overal hetzelfde
Het zou vervolgens onjuist zijn om alle praktisch opgeleiden als financieel kwetsbaar te bestempelen. Een zelfstandig installateur, gespecialiseerde technicus of ervaren vakman kan een zeer goed inkomen hebben. Sommige praktisch opgeleide werknemers behoren financieel tot de midden- of hogere inkomensgroepen.
Toch bestaan er structurele verschillen tussen groepen. Het SCP beschrijft in Sociale en Culturele Ontwikkelingen 2025 dat mensen met een praktische opleiding en lagere inkomens gemiddeld over minder hulpbronnen beschikken en vaker met een stapeling van problemen te maken hebben. Het SCP koppelt die verschillen onder meer aan financiële positie, gezondheid en sociale hulpbronnen.
Dat betekent niet dat opleiding de oorzaak is van financiële problemen. Opleiding hangt samen met allerlei andere kenmerken, zoals beroep, inkomen, arbeidsmarktpositie en gezondheid. Maar het laat wel zien dat economische kansen niet gelijk verdeeld zijn.
De EU is dus niet de enige rekeninghouder
Daarmee kunnen we terug naar de oorspronkelijke vraag: is de Europese Unie verantwoordelijk voor de financiële druk die sommige Nederlanders ervaren? Het antwoord daarop is niet rechtstreeks en zeker niet volledig.
De Europese Unie heeft invloed op de Nederlandse economie via onder meer de interne markt, handelsregels en het vrije verkeer van werknemers. Die Europese integratie levert Nederland aantoonbare economische voordelen op. Tegelijkertijd kan een grotere markt ook economische veranderingen veroorzaken waarvan de gevolgen per sector en bevolkingsgroep verschillen. Maar veel van de factoren die bepalen hoeveel een Nederlander uiteindelijk overhoudt, liggen niet in Brussel.
Nederland maakt zelf belangrijke keuzes over belastingen, toeslagen, sociale zekerheid, arbeidsvoorwaarden, woningbouw, huurbeleid, handhaving en de inrichting van de arbeidsmarkt. Ook de manier waarop Nederlandse bedrijven worden ondersteund en welke sectoren economisch aantrekkelijk worden gemaakt, is voor een belangrijk deel nationaal beleid.
Het is daarom juridisch en feitelijk niet verantwoord om de financiële problemen van Nederlandse huishoudens simpelweg aan de EU toe te schrijven. Maar het is evenmin logisch om uit de economische voordelen van de EU te concluderen dat iedere Nederlander daar automatisch in dezelfde mate van profiteert.
De echte vraag is wie de economische risico’s draagt
Daarmee komen verschillende lijnen samen. De Europese interne markt heeft de Nederlandse economie groter gemaakt. Arbeidsmigratie kan personeelstekorten verminderen en economische activiteit ondersteunen. Bedrijven kunnen profiteren van een grotere markt en een ruimer arbeidsaanbod. Consumenten profiteren van concurrentie en keuze.
Maar economische efficiëntie kent geen automatische verdelingssleutel. Een werkgever kan voordeel hebben van een groter arbeidsaanbod. Een werknemer met een schaars beroep kan juist voordeel hebben van personeelsschaarste. Een huiseigenaar kan vermogen opbouwen, terwijl een huurder dezelfde economische groei vooral via hogere prijzen en woonlasten ervaart. Een werknemer met een groot inkomen kan gemakkelijker sparen en beleggen dan iemand die iedere maand vrijwel zijn volledige inkomen aan noodzakelijke uitgaven besteedt.
Dat betekent dat de vraag “Is de EU goed voor Nederland?” eigenlijk te algemeen is. De relevantere vraag is: voor wie is de economische structuur die Nederland samen met Europa heeft opgebouwd het meest gunstig?
Het antwoord daarop is niet zwart-wit. Voor exporterende bedrijven zijn de voordelen van de interne markt groot. Voor veel werknemers biedt de Europese economie werk en kansen. Voor consumenten levert de interne markt meer keuze en concurrentie op. Tegelijkertijd kunnen bepaalde groepen werknemers kwetsbaarder zijn op een arbeidsmarkt met veel laagbetaalde functies en een groot aanbod van arbeid.
Dat maakt de Europese Unie niet automatisch de oorzaak van ongelijkheid. Het laat wel zien dat economische groei en bestaanszekerheid twee verschillende begrippen zijn.
De praktisch opgeleide burger als lakmoesproef
Misschien is daarom de positie van de praktisch opgeleide werknemer een interessante lakmoesproef voor de Nederlandse economie. Niet omdat iedere praktisch opgeleide Nederlander financieel kwetsbaar is, maar omdat veel maatschappelijk noodzakelijk werk juist door deze groep wordt uitgevoerd. Wie fulltime werkt, belasting en premies betaalt en een beroep uitoefent waar de samenleving moeilijk zonder kan, mag verwachten dat dit werk ook voldoende financiële zekerheid biedt.
De vraag is dan hoe ver die zekerheid daadwerkelijk reikt. Kan iemand met zijn inkomen zelfstandig wonen, een financiële buffer opbouwen en een onverwachte rekening opvangen? Is er ruimte om te sparen voor later en kan iemand uiteindelijk vermogen opbouwen of een koopwoning bereiken? Dat zijn vragen die niet door het bruto binnenlands product worden beantwoord, maar wel veel zeggen over de manier waarop economische groei in het dagelijks leven uitpakt.
Juist daar raakt de positie van de praktisch opgeleide werknemer aan het bredere debat over de Nederlandse economie. Een samenleving kan grote economische waarde creëren, terwijl mensen die het dagelijkse werk uitvoeren daar niet altijd in dezelfde mate financiële ruimte aan overhouden. Dat betekent niet dat hun inkomen per definitie te laag is of dat economische groei hen niets oplevert, maar wel dat de verdeling van economische kansen niet voor iedereen gelijk is.
Economische groei betekent niet automatisch meer bestaanszekerheid
Daarmee wordt ook duidelijk waarom de discussie over de Europese Unie zo gevoelig kan zijn. Wanneer mensen zien dat de Nederlandse economie groeit, bedrijven personeel zoeken en Nederland internationaal economisch sterk staat, maar zijzelf nauwelijks ruimte ervaren om vooruit te komen, ontstaat vanzelf de vraag waar die economische groei uiteindelijk terechtkomt.
Dat gevoel is op zichzelf geen bewijs dat de Europese Unie, de Nederlandse overheid, werkgevers of een andere partij daarvoor verantwoordelijk is. Het is wel een reden om verder te kijken dan economische gemiddelden en te onderzoeken hoe inkomen, vermogen, woonlasten, arbeidsmarkt en belastingen zich tot elkaar verhouden.
Want bestaanszekerheid wordt uiteindelijk niet bepaald door het aantal miljarden dat een economie produceert. De veel concretere vraag is wat er overblijft nadat iemand zijn woning, energie, zorg, boodschappen en andere noodzakelijke uitgaven heeft betaald, en of er daarna nog voldoende ruimte is om een financiële buffer en vermogen op te bouwen.
Daarmee ligt ook de belangrijkste conclusie van deze tweedelige analyse op tafel. Nederland kan dankzij de Europese interne markt economisch sterker worden zonder dat iedere Nederlander daar in dezelfde mate financieel sterker van wordt. De Europese Unie bepaalt een deel van de economische spelregels, maar de manier waarop de opbrengsten en lasten uiteindelijk over de samenleving worden verdeeld, wordt ook sterk beïnvloed door Nederlandse keuzes over arbeid, wonen, belastingen, sociale zekerheid en vermogen.
De vraag is daarom niet alleen hoeveel welvaart Nederland creëert, maar vooral hoe die welvaart doorwerkt naar de mensen die de economie iedere dag draaiende houden. Dat is uiteindelijk de maatstaf waarop economische groei voor veel burgers pas echt betekenis krijgt.
Lees hier meer over dit onderwerp:
Heeft u een foutje gezien of beschikt u over aanvullende informatie? Neem dan contact met ons op.
Weergaven: 5






