Arbeidsproductiviteit Nederlandse bedrijven stijgt met 2,5 procent, maar herstel verschilt per sector

Landelijk

De Nederlandse commerciële sector heeft in 2025 per gewerkt uur meer economische waarde voortgebracht dan een jaar eerder. De arbeidsproductiviteit steeg met 2,5 procent, na een daling in 2024. Vooral de handel en industrie droegen bij aan de verbetering. Tegelijkertijd laten de cijfers zien dat de ontwikkeling per bedrijfstak uiteenloopt. De stijging komt bovendien na jaren waarin de productiviteitsgroei onder druk stond.

Meer toegevoegde waarde met minder gewerkte uren

Volgens nieuwe, voorlopige cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) nam de toegevoegde waarde van de commerciële sector in 2025 met 1,7 procent toe. Het totale aantal gewerkte uren daalde met 0,8 procent. De combinatie van beide ontwikkelingen resulteerde in een stijging van de arbeidsproductiviteit met 2,5 procent.

Arbeidsproductiviteit geeft aan hoeveel economische waarde per gewerkt uur wordt toegevoegd. Het cijfer is daarmee een indicator voor de ontwikkeling van de productie in verhouding tot de ingezette arbeid. Een hogere productiviteit betekent niet automatisch dat werknemers harder werken of dat bedrijven meer personeel hebben aangenomen. De uitkomst kan onder meer samenhangen met technologische vernieuwing, een efficiëntere inzet van machines, veranderingen in de personeelsbezetting en verschuivingen tussen bedrijfstakken.

De cijfers volgen op twee jaren waarin de ontwikkeling minder gunstig was. In 2023 daalde de arbeidsproductiviteit van de commerciële sector met 2,0 procent. In 2024 volgde een afname van 0,4 procent. De stijging in 2025 markeert daarmee een omslag ten opzichte van de twee voorgaande jaren, maar de voorlopige cijfers geven nog geen volledig beeld van de achterliggende ontwikkelingen bij afzonderlijke ondernemingen.

Handel en industrie leveren de grootste bijdrage

De verbetering kwam niet gelijkmatig tot stand. De handel leverde met 1,00 procentpunt de grootste bijdrage aan de groei van de arbeidsproductiviteit. De industrie volgde met 0,74 procentpunt. Samen waren deze twee bedrijfstakken daarmee verantwoordelijk voor een belangrijk deel van de totale stijging.

Andere sectoren droegen eveneens positief bij. De gezondheids- en welzijnszorg leverde 0,35 procentpunt, terwijl vervoer en opslag en de financiële dienstverlening elk 0,23 procentpunt bijdroegen. Voor de bouwnijverheid bedroeg de bijdrage 0,13 procentpunt.

Aan de andere kant drukten de energievoorziening en de sector informatie en communicatie de totale productiviteitsontwikkeling elk met 0,15 procentpunt. Ook cultuur, sport en recreatie en de delfstoffenwinning leverden een negatieve bijdrage.

Deze cijfers beschrijven de bijdrage van bedrijfstakken aan het landelijke resultaat. Ze betekenen niet dat de arbeidsproductiviteit in iedere afzonderlijke sector met hetzelfde percentage is gestegen of gedaald. De bijdrage aan het totaal hangt mede af van het gewicht van een bedrijfstak binnen de commerciële sector.

Productiviteit stijgt niet alleen door efficiënter werken

Een hogere gemiddelde arbeidsproductiviteit kan op verschillende manieren ontstaan. Bedrijven kunnen met dezelfde hoeveelheid arbeid meer toegevoegde waarde realiseren. Daarnaast kan het aandeel gewerkte uren verschuiven naar bedrijfstakken waar per uur relatief veel economische waarde wordt geproduceerd.

Dat tweede effect speelde in 2025 eveneens een rol. Volgens het CBS werden relatief meer uren gewerkt in bedrijfstakken met een hoog productiviteitsniveau, waaronder de energievoorziening en informatie en communicatie. Het zogenoemde structuureffect droeg daardoor 0,1 procentpunt positief bij aan de totale ontwikkeling.

Het grootste deel van de stijging kwam echter voort uit productiviteitsverbeteringen binnen bedrijfstakken. Het CBS berekent deze zogenoemde autonome bijdrage op 2,4 procentpunt. De resterende 0,1 procentpunt komt voort uit de verschuiving tussen bedrijfstakken.

Een verdere uitsplitsing laat zien dat de multifactorproductiviteit met 2,15 procentpunt de grootste bijdrage leverde. Deze indicator omvat onder meer effecten van technologische vooruitgang, schaalvoordelen en een efficiëntere combinatie van productiemiddelen. Zowel de inzet van kapitaalgoederen per gewerkt uur als de samenstelling van het personeelsbestand droeg daarnaast positief bij.

De multifactorproductiviteit is geen rechtstreekse meting van innovatie bij afzonderlijke bedrijven. Het is een berekende component waarin verschillende invloeden samenkomen. Uit de cijfers valt daarom niet af te leiden welk deel van de groei bijvoorbeeld specifiek door automatisering of digitalisering is veroorzaakt.

Groei na jaren van achterblijvende productiviteit

De ontwikkeling in 2025 staat in contrast met de langere periode waarin de Nederlandse arbeidsproductiviteitsgroei afzwakte. In een onderzoek uit 2024 beschreven CBS-onderzoekers Klaas de Vries en Eline van Leeuwen hoe de groei in Nederland sterker vertraagde dan in andere hoge-inkomenslanden. De onderzoekers wezen onder meer op verschuivingen tussen bedrijfstakken, de afbouw van de gaswinning in Groningen en ontwikkelingen binnen de industrie en het vervoer.

Ook over een langere periode is de vertraging zichtbaar. Volgens het CBS nam de arbeidsproductiviteit van de totale Nederlandse economie tussen 2014 en 2023 gemiddeld met 0,4 procent per jaar toe. Tussen 1974 en 2013 bedroeg de gemiddelde jaarlijkse groei nog 1,5 procent. Deze cijfers hebben betrekking op de gehele economie en zijn daarom niet rechtstreeks vergelijkbaar met de stijging van 2,5 procent in de commerciële sector in 2025.

De Nederlandsche Bank (DNB) plaatst bij de beoordeling van de Nederlandse productiviteit eveneens een kanttekening. In een analyse uit mei 2025 stelde DNB dat de productiviteitsgroei in een afgebakende groep marktsectoren tussen 2013 en 2023 gemiddeld 1,1 procent per jaar bedroeg. Dat was aanzienlijk hoger dan de 0,4 procent voor de totale economie. De afbakening verschilt van die van het CBS, waardoor de percentages niet één op één naast elkaar kunnen worden gelegd.

Wat zeggen de cijfers over het bedrijfsleven?

Voor ondernemers is arbeidsproductiviteit een relevante indicator, omdat de verhouding tussen economische opbrengst en ingezette arbeid mede bepaalt hoe bedrijven hun productie organiseren. De cijfers geven echter geen rechtstreeks antwoord op de vraag of ondernemingen winstgevender zijn geworden, of werknemers meer loon ontvangen en of de concurrentiepositie is verbeterd.

Daarvoor zijn aanvullende gegevens nodig, bijvoorbeeld over loonkosten, verkoopprijzen, investeringen, bedrijfswinsten en de ontwikkeling van de vraag. Ook kan een stijgende productiviteit samengaan met uiteenlopende situaties bij individuele ondernemingen. Het landelijke cijfer maakt die verschillen niet zichtbaar.

De voorlopige uitkomsten over 2025 laten zien dat de commerciële sector meer toegevoegde waarde per gewerkt uur realiseerde en dat handel en industrie de grootste positieve bijdragen leverden. Tegelijkertijd bleef de ontwikkeling tussen bedrijfstakken verdeeld en wijkt het resultaat af van de zwakkere productiviteitsgroei in eerdere jaren.

Het oorspronkelijke nieuwsbericht verscheen op 7 oktober 2026 bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Op de publicatiepagina wordt geen individuele opsteller vermeld. De cijfers en toelichting in dit artikel zijn gebaseerd op het CBS-bericht en de genoemde aanvullende publicaties van het CBS en De Nederlandsche Bank.

Heeft u een foutje gezien of beschikt u over aanvullende informatie? Neem dan contact met ons op.

Weergaven: 3