Nederlandse bedrijven die afhankelijk zijn van arbeidsmigranten krijgen te maken met een bredere discussie over de inrichting van de arbeidsmarkt. Wat gebeurt er met het werk wanneer minder buitenlandse werknemers beschikbaar zijn? Kunnen mensen die nu een bijstandsuitkering ontvangen een deel van dat werk overnemen, bijvoorbeeld door te beginnen met één of twee dagen per week in de tuinbouw? Een project in het Westland uit 2012 laat zien dat het samenbrengen van werkzoekenden en werkgevers niet vanzelf tot banen leidt.
Westland hoopte op duizenden banen, maar kwam uit op negentien
In 2012 presenteerden bestuurders een project om mensen met een bijstandsuitkering aan het werk te krijgen in de glastuinbouw van het Westland. Volgens een destijds gepubliceerd bericht van Joop van BNNVARA hadden ongeveer 700 mensen zich voor het initiatief gemeld. Uiteindelijk waren volgens die publicatie negentien mensen aan een baan geholpen.
Het project was gericht op werkzoekenden uit Rotterdam en Den Haag. De toenmalige Rotterdamse wethouder Marco Florijn wilde met de aanpak een grotere groep mensen naar werk begeleiden. Staatssecretaris Paul de Krom sprak bij de start eveneens de verwachting uit dat werk in de tuinbouw kansen bood voor mensen met een uitkering.
De uitkomst riep vragen op over de aansluiting tussen het aanbod van werkzoekenden en de behoefte van werkgevers. Joop verwees destijds naar berichtgeving van het Nederlands Dagblad en RTV Rijnmond. Daarin kwam naar voren dat tuinders liever scholieren en arbeidsmigranten aannamen en dat de vakbond FNV Bondgenoten twijfelde aan het uitzicht op reguliere banen.
De negentien plaatsingen zijn een gerapporteerd resultaat, maar verklaren op zichzelf niet waarom het project zo weinig banen opleverde. Om de oorzaken nauwkeurig vast te stellen, is een oorspronkelijke projectevaluatie nodig. De destijds gepubliceerde berichtgeving geeft daarvoor aanknopingspunten, maar is geen volledige evaluatie van het traject.
Arbeidsmigranten vervullen een zichtbare rol op de arbeidsmarkt
De discussie speelt tegen de achtergrond van een arbeidsmarkt waarin werknemers uit het buitenland in verschillende sectoren een belangrijk aandeel hebben. Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over de arbeidsmarkt in 2024 blijkt dat werknemers die buiten Nederland zijn geboren relatief vaak werken in de zakelijke dienstverlening, waaronder uitzendbureaus, en in de landbouw en visserij.
Bij de landbouw en visserij was 24,3 procent van de werknemersbanen in 2024 ingevuld door mensen die in een ander Europees land waren geboren. Voor werknemers die buiten Europa waren geboren, ging het om 3 procent. Deze cijfers hebben betrekking op de geboorteplaats en niet uitsluitend op Poolse arbeidsmigranten. Ze laten wel zien dat de internationale arbeidsmarkt een rol speelt bij de personeelsvoorziening in de agrarische sector.
De vraag wat er gebeurt als minder arbeidsmigranten beschikbaar zijn, raakt daarom niet alleen het migratiebeleid. Ook de bedrijfsvoering, de arbeidsproductiviteit en de organisatie van werk komen in beeld.
Bijstandsexperimenten laten geen eenvoudige oplossing zien
Het Westlandse project staat niet op zichzelf. Tussen 2017 en 2019 onderzochten zes Nederlandse gemeenten, waaronder Wageningen, verschillende manieren om mensen vanuit de bijstand naar betaald werk te begeleiden. Het ging onder meer om intensievere begeleiding, het tijdelijk aanpassen van verplichtingen en meer ruimte om inkomsten uit werk te behouden.
Het Centraal Planbureau (CPB) publiceerde in mei 2020 de resultaten van deze experimenten. Intensieve begeleiding en ruimere mogelijkheden om bij te verdienen hadden in sommige gemeenten een positief effect op de gedeeltelijke of volledige uitstroom naar werk. Geen van de onderzochte gemeenten bereikte door de experimenten een aantoonbare toename van de volledige uitstroom naar werk, waarbij het CPB werk van meer dan 27 uur per week hanteerde als maatstaf.
De onderzoekers wezen ook op onzekerheden in de resultaten en verschillen tussen de gemeentelijke experimenten. De bevindingen gingen niet specifiek over kasarbeid en kunnen daarom niet rechtstreeks worden vertaald naar de tuinbouw. Ze maken wel duidelijk dat de manier waarop begeleiding en financiële prikkels worden ingericht, relevant is bij de beoordeling van re-integratiebeleid.
SER ziet ook een rol voor technologie en betere benutting van arbeidspotentieel
In oktober 2025 bracht de Sociaal-Economische Raad het advies Arbeidsmigratie naar waarde: minder waar het kan, beter waar het moet uit. Daarin benoemt de SER verschillende manieren om de Nederlandse economie toekomstbestendiger te maken. Naast gerichtere arbeidsmigratie gaat het om betere arbeidsvoorwaarden, investeringen in arbeidsbesparende technologie en het beter benutten van het beschikbare arbeidspotentieel in Nederland.
Dat advies plaatst de discussie over werkzoekenden in een bredere context. Het gaat niet alleen om de vraag of iemand een bestaande vacature kan invullen, maar ook om de inrichting van werk en de productiviteit van bedrijven. Technologie kan bepaalde werkzaamheden verminderen of veranderen, terwijl begeleiding en scholing mensen kunnen helpen om ander werk te gaan doen.
De SER stelt daarbij ook dat de positie van laagbetaalde arbeidsmigranten moet worden verbeterd. Minder afhankelijkheid van buitenlandse arbeidskrachten betekent volgens die benadering niet dat de bescherming van werknemers uit het oog mag worden verloren.
Wat betekent dit voor Gelderse bedrijven?
Voor Gelderland is de vraag relevant voor onder meer de tuinbouw, voedselverwerking en logistiek. De beschikbare landelijke onderzoeken bieden echter geen antwoord op de vraag hoeveel Gelderse vacatures door mensen uit het bijstandsbestand kunnen worden ingevuld. Daarvoor zijn regionale gegevens nodig over vacatures, de beschikbaarheid van werkzoekenden, hun mogelijkheden en de eisen die werkgevers stellen.
Een eventuele proef waarbij mensen beginnen met één of twee werkdagen per week, zou daarom afzonderlijk moeten worden beoordeeld. Van belang zijn onder meer de begeleiding op de werkvloer, de mogelijkheid om uren uit te breiden, de aansluiting op reguliere vacatures en de financiële gevolgen voor deelnemers. Ook moet duidelijk zijn of werkgevers bereid zijn te investeren in mensen die niet direct volledig inzetbaar zijn.
Het Westlandse project uit 2012 laat zien dat een groot aantal aanmeldingen niet automatisch leidt tot veel plaatsingen. De latere gemeentelijke experimenten en het SER-advies bieden aanvullende aanknopingspunten, maar beantwoorden niet de vraag hoeveel mensen in Gelderland op deze manier duurzaam aan het werk kunnen komen. Die vraag vraagt om onderzoek bij werkgevers, gemeenten, uitvoeringsorganisaties en werkzoekenden zelf.
Bronvermelding: voor de historische reconstructie is gebruikgemaakt van het artikel van de redactie van Joop/BNNVARA van 16 juli 2012. De overige bevindingen zijn gebaseerd op publicaties van het CBS, het CPB en de Sociaal-Economische Raad.
Heeft u een foutje gezien of beschikt u over aanvullende informatie? Neem dan contact met ons op.
Weergaven: 16





