De rookpluimen boven Spanje, de evacuaties in Zuid-Frankrijk, de uitgebrande hellingen in Portugal en de beelden van brandweerlieden die dag en nacht tegen een muur van vuur vechten, lijken inmiddels onlosmakelijk bij de Europese zomer te horen. Vrijwel ieder jaar halen natuurbranden het nieuws en telkens klinkt dezelfde vraag: is dit het gevolg van klimaatverandering?
Het korte antwoord luidt: deels. Het langere antwoord is veel ingewikkelder. Wie de ontwikkeling van natuurbranden in Zuid-Europa over een langere periode bekijkt, ziet dat er niet één oorzaak is aan te wijzen. Klimaatverandering speelt een belangrijke rol, maar ook de manier waarop het landschap de afgelopen zeventig jaar is veranderd, blijkt van grote invloed. Volgens de European Environment Agency (EEA) ontstaat het risico op grote natuurbranden juist door de combinatie van klimaat, landgebruik, de hoeveelheid brandbaar materiaal en menselijke activiteiten.
Vuur is ouder dan de mens
Natuurbranden zijn geen modern verschijnsel. Lang voordat mensen zich rond de Middellandse Zee vestigden, werden bossen al getroffen door blikseminslag tijdens droge onweersbuien. In het mediterrane klimaat, met hete, droge zomers en zachte, natte winters, maakte vuur eeuwenlang deel uit van de natuurlijke kringloop.
Sterker nog, sommige boomsoorten hebben zich eraan aangepast. De kurkeik overleeft veel branden dankzij zijn uitzonderlijk dikke schors. De Canarische den kan na een brand opnieuw uitlopen vanuit slapende knoppen in de stam en verschillende dennensoorten openen hun kegels pas nadat ze aan extreme hitte zijn blootgesteld. Voor deze soorten is vuur niet alleen een bedreiging, maar ook een onderdeel van hun voortplantingsstrategie. Ook de European Environment Agency benadrukt dat kleinere natuurbranden van nature kunnen bijdragen aan bosverjonging en biodiversiteit.
Dat betekent echter niet dat de enorme vuurzeeën van tegenwoordig een natuurlijk verschijnsel zijn. Juist de schaal waarop complete landschappen tegenwoordig kunnen afbranden, baart wetenschappers zorgen.
Een landschap dat ingrijpend veranderde
Om te begrijpen waarom branden tegenwoordig zo groot kunnen worden, moeten we terug naar de jaren vijftig en zestig. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde Zuid-Europa in hoog tempo. De landbouw mechaniseerde, de industrie groeide en miljoenen inwoners verlieten het platteland om werk te zoeken in steden als Madrid, Barcelona, Lissabon en Milaan. Complete bergdorpen raakten ontvolkt.
Die ontwikkeling had grote gevolgen voor het landschap. Waar eeuwenlang schapen, geiten en runderen struiken kort hielden en boeren brandhout verzamelden, verdwenen deze vormen van dagelijks beheer langzaam uit het landschap. Verlaten akkers groeiden dicht met struiken, jonge bomen en droog gras. Bospercelen die vroeger werden onderhouden, kregen steeds meer dode takken en ondergroei.
Volgens de European Environment Agency behoort deze ophoping van brandbaar materiaal inmiddels tot de belangrijkste structurele oorzaken waardoor natuurbranden zich veel sneller kunnen verspreiden. Landverlating en een gebrek aan actief natuurbeheer zorgen ervoor dat een kleine brand zich gemakkelijker ontwikkelt tot een onbeheersbare vuurzee.
Meer bos betekent niet automatisch veiliger
Op het eerste gezicht lijkt meer bos uitsluitend positief. Bossen slaan immers CO₂ op, vergroten de biodiversiteit en bieden ruimte aan planten en dieren. Toch waarschuwen ecologen dat de inrichting van een bos minstens zo belangrijk is als de oppervlakte ervan.
Een afwisselend landschap met loofbossen, weilanden, landbouwgrond en open stukken remt de verspreiding van vuur af. Een dicht aaneengesloten gebied met droge struiken en naaldbomen doet juist het tegenovergestelde. Vooral naaldbossen met veel hars en een dikke laag droge vegetatie kunnen tijdens een hittegolf razendsnel ontbranden.
Daarom verschuift de aandacht in Europa langzaam van uitsluitend brandbestrijding naar preventie. De European Environment Agency pleit steeds nadrukkelijker voor natuurgebaseerde oplossingen, zoals gevarieerde bossen, begrazing, groene brandgangen en aangepast bosbeheer om de hoeveelheid brandbaar materiaal te beperken.
Droogte veroorzaakt geen brand
Tijdens hete zomers wordt droogte vaak als dé oorzaak van natuurbranden genoemd. Dat is begrijpelijk, maar wetenschappelijk gezien is het beeld genuanceerder. Droogte steekt geen vuur aan. Ze zorgt er wel voor dat bladeren, gras, struiken en dode takken veranderen in brandstof. Pas wanneer daar een ontstekingsbron bijkomt, ontstaat een natuurbrand.
Volgens de gegevens van het European Forest Fire Information System (EFFIS), dat wordt beheerd door het Joint Research Centre van de Europese Commissie, bepalen drie factoren samen het risico: de weersomstandigheden, de hoeveelheid brandbaar materiaal en de aanwezigheid van een ontstekingsbron. Pas wanneer die factoren samenvallen, kan een relatief kleine brand uitgroeien tot een megabrand.
Daar komt nog bij dat hittegolven langer duren dan vroeger. Hogere temperaturen, lagere luchtvochtigheid en langdurige droogte zorgen ervoor dat het aantal dagen met extreem brandgevaar groeit. Bovendien breidt het brandseizoen zich uit naar regio’s in Noordwest-Europa die vroeger nauwelijks met grote natuurbranden te maken hadden.
De mens blijft meestal de vonk
Opvallend is dat de meeste natuurbranden uiteindelijk niet door de natuur zelf beginnen. Volgens Europese analyses ontstaat het overgrote deel van de branden direct of indirect door menselijk handelen. Dat varieert van weggegooide sigaretten en kampvuren tot defecte elektriciteitsleidingen, landbouwmachines, slijpwerkzaamheden of, in een kleiner aantal gevallen, opzettelijke brandstichting. Juist omdat steeds meer woningen en recreatiegebieden grenzen aan natuurgebieden, neemt ook het aantal plaatsen toe waar mens en brandgevoelige vegetatie elkaar raken. De EEA schat dat ongeveer 7,4 procent van het Europese landoppervlak inmiddels bestaat uit deze zogenoemde wildland-urban interface: overgangsgebieden waar bebouwing direct grenst aan natuur en waar het risico op grote natuurbranden aanzienlijk groter is.
Die constatering leidt tot een belangrijke conclusie. De natuurbrand van vandaag begint misschien met een vonk, maar de voorwaarden waaronder die vonk kan uitgroeien tot een ramp zijn vaak tientallen jaren eerder ontstaan.
Klimaatverandering vergroot het risico, maar is niet de enige verklaring
Dat klimaatverandering invloed heeft op natuurbranden staat binnen de wetenschap nauwelijks nog ter discussie. Hogere temperaturen, langere periodes van droogte en vaker voorkomende hittegolven zorgen ervoor dat bossen en natuurgebieden sneller uitdrogen. Daardoor neemt de kans toe dat een kleine brand uitgroeit tot een onbeheersbare vuurzee.
Toch waarschuwen onderzoekers ervoor om klimaatverandering niet als dé verklaring voor alle natuurbranden te presenteren. Volgens het Joint Research Centre (JRC) van de Europese Commissie ontstaat een natuurbrand vrijwel altijd door een combinatie van factoren: de weersomstandigheden, de hoeveelheid beschikbare brandstof, het type vegetatie, het landschap én een ontstekingsbron. Pas wanneer die factoren samenvallen, ontstaan de extreme branden die de afgelopen jaren steeds vaker het nieuws domineren. Ook het European Forest Fire Information System (EFFIS) benadrukt dat de omvang en intensiteit van branden niet alleen door het weer worden bepaald, maar ook door de manier waarop landschappen zijn ingericht.
Die conclusie wordt ondersteund door het meest recente Europese klimaatrapport van de Copernicus Climate Change Service en de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO). Daaruit blijkt dat Europa het snelst opwarmende continent ter wereld is. Vooral rond de Middellandse Zee neemt het aantal dagen met extreem hoge temperaturen toe. Het brandseizoen begint daardoor eerder in het voorjaar en loopt langer door in het najaar.
De rol van natuurbeheer krijgt steeds meer aandacht
Waar de discussie jarenlang vooral draaide om blusvliegtuigen en brandweerinzet, verschuift de aandacht steeds vaker naar de vraag hoe natuurbranden kunnen worden voorkomen.
Volgens de European Environment Agency (EEA) ligt daar een belangrijke uitdaging. De organisatie pleit voor meer zogenoemde ‘nature-based solutions’: maatregelen waarbij het landschap zelf minder brandgevoelig wordt gemaakt. Dat kan door bossen gevarieerder in te richten, overtollige ondergroei te verwijderen, natuurlijke brandgangen aan te leggen en begrazing opnieuw een grotere rol te geven.
Juist dat laatste krijgt de laatste jaren opnieuw belangstelling. Eeuwenlang hielden schapen en geiten de mediterrane hellingen open. Door struiken, gras en jonge boompjes weg te grazen, verwijderden zij een groot deel van het brandbare materiaal. Met het verdwijnen van veel traditionele veehouderijen verdween ook deze natuurlijke vorm van brandpreventie.
In verschillende regio’s van Spanje en Portugal experimenteren overheden daarom opnieuw met gerichte begrazing. Volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) kan deze aanpak, gecombineerd met modern bosbeheer, bijdragen aan het verkleinen van het risico op grote natuurbranden. Begrazing vervangt andere maatregelen niet, maar kan wel onderdeel zijn van een bredere preventiestrategie.
Hardnekkige mythes
Na iedere grote natuurbrand verschijnen op sociale media vrijwel direct allerlei verklaringen. Zo wordt regelmatig beweerd dat projectontwikkelaars bossen opzettelijk laten afbranden om woningen te kunnen bouwen of dat georganiseerde misdaad achter een groot deel van de branden zit.
Er zijn inderdaad historische voorbeelden waarbij natuurbranden werden aangestoken uit financieel belang. Ook in Italië zijn strafzaken bekend waarbij criminele organisaties betrokken waren bij fraude rond bosbeheer of herstelwerkzaamheden. Toch blijkt uit onderzoeken van onder meer de Europese Commissie en Spaanse autoriteiten dat deze gevallen geen afdoende verklaring vormen voor de terugkerende natuurbranden in Zuid-Europa.
Bovendien hebben verschillende landen hun wetgeving aangescherpt. In Spanje mogen afgebrande bosgebieden in veel gevallen jarenlang geen andere bestemming krijgen. Daarmee is het financiële motief om natuur in brand te steken aanzienlijk kleiner geworden dan vroeger.
Dat betekent niet dat brandstichting niet voorkomt. Integendeel. Maar volgens deskundigen vormt opzettelijke brandstichting slechts één van de vele mogelijke oorzaken. Veruit de meeste grote natuurbranden ontstaan door een samenspel van menselijke activiteiten, weersomstandigheden en de aanwezigheid van grote hoeveelheden brandbaar materiaal.
Volgende week deel 2
Heeft u een foutje gezien of beschikt u over aanvullende informatie? Neem dan contact met ons op.






