De komst van het militaire radarstation naar Herwijnen is het resultaat van een besluitvormingstraject dat al meer dan tien jaar duurt. De locatie kwam in beeld nadat de civiele radar van Luchtverkeersleiding Nederland buiten gebruik werd gesteld. Defensie onderzocht daarna zowel andere locaties als andere manieren om het Nederlandse luchtruim te bewaken. Het kabinet besloot in juni 2022 de procedure voor Herwijnen voort te zetten. De keuze leidde tot bezwaren van inwoners, de gemeente West Betuwe en Stichting Niet Nog een Radar in Herwijnen.
Herwijnen kwam al in 2012 in beeld
Herwijnen was niet vanaf het begin de enige onderzochte locatie. Volgens de Raad van State is de plek sinds 2012 bij Defensie in beeld als mogelijke locatie voor een militair radarstation. Op het terrein had eerder een radar van Luchtverkeersleiding Nederland gestaan. Nadat die radar buiten gebruik was gesteld, kwam de locatie beschikbaar.
Defensie concludeerde vervolgens dat de locatie geschikt was voor een militair radarstation. In 2017 werd een ontwerpbestemmingsplan opgesteld. De gemeenteraad van de toenmalige gemeente Lingewaal besloot in 2018 echter het bestemmingsplan niet vast te stellen. Lingewaal ging in 2019 op in de gemeente West Betuwe. De uitspraak van de Raad van State van 23 september 2026 beschrijft deze voorgeschiedenis en de daaropvolgende keuze van het Rijk om zelf een ruimtelijk plan voor het radarstation vast te stellen.
Daarmee veranderde de verhouding tussen gemeente en Rijk. Omdat Defensie het radarstation als een ontwikkeling van nationaal belang beschouwde, werd gekozen voor de Rijkscoördinatieregeling. De Tweede Kamer stemde daar in 2019 mee in. Het Rijk kon daarmee de ruimtelijke besluitvorming overnemen van de gemeente.
De Tweede Kamer vroeg om een andere locatie
De locatiekeuze leidde vervolgens tot een politieke discussie. In november 2020 nam de Tweede Kamer een motie aan waarin het kabinet werd opgedragen een andere locatie voor de SMART-L-radar te zoeken. In februari 2021 volgde een tweede motie waarin werd gevraagd de Rijkscoördinatieregeling voor Herwijnen te stoppen en een alternatieve locatie te zoeken. Dat staat in de Kamerbrief over de uitvoering van de moties van 2 februari 2021.
Defensie zette de procedure daarop niet definitief stop, maar pauzeerde deze en onderzocht alternatieven. Daarbij werd niet alleen gekeken naar andere locaties. Het ministerie onderzocht eveneens of het Nederlandse luchtruim op een andere manier voldoende kon worden bewaakt.
Negentien locaties in elf gemeenten onderzocht
De zoektocht naar alternatieven leverde volgens Defensie negentien mogelijke locaties in elf gemeenten op. Het ministerie beoordeelde die locaties onder meer op radardekking, ruimtelijke inpasbaarheid, gevolgen voor woningbouw en windenergie, bereikbaarheid en de tijd die nodig zou zijn om een radarstation te realiseren.
Volgens Defensie bleken achttien van de negentien locaties minder geschikt of ongeschikt. De argumenten verschilden per locatie. Bij sommige locaties was de radardekking minder goed, bij andere was de ruimtelijke inpassing lastiger of zou de realisatie langer duren. Defensie heeft de uitgangspunten en resultaten van de locatieonderzoeken beschreven in de documentatie over de onderzochte alternatieve locaties.
De Raad van State heeft deze locatieafweging in 2026 juridisch beoordeeld. De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat de ministers de keuze voor Herwijnen voldoende hadden onderbouwd. Volgens de Afdeling waren de onderzoeken naar alternatieve locaties voldoende inzichtelijk om de gemaakte keuze te kunnen dragen.
Waarom Herwijnen volgens Defensie de voorkeur kreeg
Defensie noemt verschillende redenen voor de uiteindelijke keuze. De belangrijkste is de radardekking. Volgens het ministerie leveren de locaties Wier en Herwijnen samen een betere spreiding van de radardekking over Nederland op. Vanuit Herwijnen kan volgens Defensie vooral boven Zeeland, Brabant, Limburg en de Randstad beter worden gekeken.
Een tweede argument is de ligging van het terrein. Het gebied rond Herwijnen is relatief open en kent volgens Defensie weinig hoogbouw. Daardoor kunnen laagvliegende objecten op grotere afstand worden waargenomen. De locatie in Nieuw Milligen heeft volgens het ministerie als nadeel dat de omgeving hoger en heuvelachtiger is.
Een derde argument betreft de gevolgen voor andere ruimtelijke ontwikkelingen. Een militaire radar heeft een radarverstoringsgebied. Hoge objecten, zoals windturbines en hoge gebouwen, kunnen de werking van een radar beïnvloeden. Defensie stelt dat in Herwijnen al rekening werd gehouden met een radarverstoringsgebied en dat de keuze voor deze locatie daardoor minder gevolgen heeft voor bestaande plannen voor windenergie en hoge bebouwing.
Daarnaast was het terrein al eigendom van Defensie. Volgens het ministerie hoefden daardoor geen grondeigenaren te worden uitgekocht of onteigend. Defensie noemt verder de bestaande ontsluiting van het terrein en de mogelijkheid om de radar sneller te realiseren als redenen voor de keuze. Deze argumenten staan in de toelichting van Defensie op de keuze voor Herwijnen.
Ook andere manieren van luchtruimbewaking onderzocht
De discussie ging niet uitsluitend over de vraag waar een tweede SMART-L-radar zou moeten komen. Defensie onderzocht ook of een tweede vaste radar wel noodzakelijk was.
Daarbij keek het ministerie onder meer naar permanente inzet van AWACS-vliegtuigen, radarsystemen op schepen en het gebruik van radars van bondgenoten. Ook werd onderzocht of andere militaire locaties voor een radarstation geschikt zouden zijn.
Volgens het onderzoek van Defensie leverden deze alternatieven niet voldoende dekking op. Het ministerie concludeerde dat voor de gewenste luchtruimbewaking een tweede SMART-L-radar nodig is. Die conclusie is vervolgens onderdeel geworden van de onderbouwing van het rijksinpassingsplan. De achterliggende onderzoeken zijn opgenomen in de officiële Nota van Antwoord, waarin het Rijk reageert op de ingediende zienswijzen.
Straling werd een belangrijk onderwerp
De zorgen over elektromagnetische straling vormden een belangrijk onderdeel van de bezwaren tegen de radar. Defensie heeft daarvoor verschillende onderzoeken laten uitvoeren. Een van de vragen was of een hogere plaatsing van de radarantenne de blootstelling in de omgeving zou verminderen.
Uit het door Defensie gepubliceerde TNO-onderzoek naar de antennehoogte blijkt dat verhoging van de antenne van 24 naar maximaal 34 meter op sommige plaatsen tot een lagere stralingsbelasting leidt, maar op andere plaatsen juist tot een hogere belasting. Volgens TNO verandert de belasting daardoor slechts beperkt. Defensie besloot de radar niet hoger te plaatsen en hanteert voor Herwijnen dezelfde ontwerphoogte als voor de radar in Wier. De resultaten zijn opgenomen in de onderzoeken naar alternatieve mogelijkheden en locaties.
De discussie over gezondheid is daarmee niet hetzelfde als de juridische beoordeling van de vergunning. De Rechtbank Gelderland en de Raad van State hebben in hun uitspraken afzonderlijk beoordeeld welke wetenschappelijke informatie en normen bij de besluitvorming mochten worden gebruikt. De rechters hebben daarbij onder meer gekeken naar de ICNIRP-blootstellingslimieten.
231 zienswijzen uit de omgeving
De maatschappelijke weerstand bleef tijdens de vergunningprocedure bestaan. Toen het ontwerp van de omgevingsvergunning in 2024 ter inzage lag, ontving Defensie 231 zienswijzen. Het overgrote deel daarvan kwam volgens het ministerie uit Herwijnen en de directe omgeving. Veel zienswijzen hadden betrekking op straling en mogelijke gezondheidsrisico’s. Ook de gemeente West Betuwe diende een zienswijze in. Dat blijkt uit het officiële bericht van Defensie over de ingediende zienswijzen.
De bezwaren zijn vervolgens verwerkt in de Nota van Antwoord. Dat document telt ongeveer 900 pagina’s en bevat de reacties van het Rijk op de ingediende zienswijzen. Daarin komen naast straling onder meer de locatiekeuze, alternatieven, geluid, natuur, participatie en de gevolgen voor de omgeving aan de orde.
Raad van State toetste ook het draagvlak
De Raad van State heeft bij de beoordeling van het rijksinpassingsplan niet geoordeeld dat er voldoende maatschappelijk draagvlak voor het radarstation bestaat. De Afdeling stelde vast dat er geen wettelijke regel is die een ruimtelijk plan alleen toestaat wanneer daarvoor voldoende draagvlak bestaat.
Dat betekent volgens de uitspraak niet dat draagvlak geen rol speelt. Het bevoegd gezag moet de belangen van omwonenden bij de ruimtelijke belangenafweging betrekken. De Raad van State onderzocht daarom of de ministers de belangen van de omgeving voldoende hadden onderzocht en meegewogen.
De Afdeling kwam uiteindelijk tot het oordeel dat het ontbreken van breed draagvlak op zichzelf geen reden was om het rijksinpassingsplan te vernietigen. Daarmee bleef de keuze voor Herwijnen juridisch overeind.
Het Rijk nam de regie over
De geschiedenis van het radarstation laat daarmee een ontwikkeling zien van gemeentelijke besluitvorming naar nationale regie. De gemeente wilde het bestemmingsplan niet vaststellen. Vervolgens werd de besluitvorming via de Rijkscoördinatieregeling naar het Rijk getrokken. Na aanvullend onderzoek besloot het kabinet de procedure voor Herwijnen voort te zetten.
De tijdlijn van Defensie over het radarstation laat zien hoe het dossier zich sinds 2015 heeft ontwikkeld. Na de onderzoeken in 2020 en 2021 besloot het kabinet in juni 2022 de Rijkscoördinatieregeling voort te zetten. Eind 2023 werd het ontwerp van het rijksinpassingsplan ter inzage gelegd. In 2024 volgde de ontwerp-omgevingsvergunning. In februari 2025 werden het rijksinpassingsplan en de vergunning definitief vastgesteld.
Met de uitspraak van de Raad van State van 23 september 2026 is het rijksinpassingsplan definitief geworden. De Rechtbank Gelderland liet op 2 oktober 2026 de omgevingsvergunning in stand. Daarmee is de discussie over de locatie en de ruimtelijke mogelijkheid voor het radarstation juridisch grotendeels afgerond.
De geschiedenis van Herwijnen laat tegelijk zien waarom het dossier zo lang heeft geduurd. Het gaat niet alleen om de bouw van een radarinstallatie, maar om de verdeling van verantwoordelijkheden tussen gemeente en Rijk, de bescherming van het Nederlandse luchtruim, de gevolgen voor andere ruimtelijke ontwikkelingen en de zorgen van inwoners over hun leefomgeving. De rechter heeft uiteindelijk niet bepaald welke locatie politiek de voorkeur verdient, maar beoordeeld of het Rijk zijn keuze juridisch voldoende heeft onderbouwd.
Lees hier deel 1: Radarstation Herwijnen mag worden gebouwd na uitspraak rechtbank
Heeft u een foutje gezien of beschikt u over aanvullende informatie? Neem dan contact met ons op.
Weergaven: 11



