Minder vee, minder bedrijven: de Gelderse veehouderij verandert

Agrarische sector

Het aantal runderen, varkens en schapen in Gelderland is het afgelopen jaar opnieuw afgenomen. Ook steeds meer veehouders stoppen met hun bedrijf. Toch blijft Gelderland een van de belangrijkste veehouderijprovincies van Nederland. Achter de cijfers schuilt een sector die volop in beweging is en tegelijkertijd van groot economisch belang blijft voor de provincie.

Uit de nieuwste Landbouwtelling van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat Gelderland op 1 april 2025 ruim 18,8 miljoen landbouwhuisdieren telde. Veruit de grootste groep bestaat uit kippen, gevolgd door varkens en runderen. Tegelijkertijd laten de cijfers zien dat de samenstelling van de veestapel verandert. Vooral de rundvee-, varkens- en schapensector krimpen, terwijl de geitenhouderij stabiel blijft en het aantal leghennen juist licht groeit.

Gelderland blijft een landbouwprovincie

Met uitgestrekte graslanden, een sterke pluimveesector in de Gelderse Vallei, melkveebedrijven in de Achterhoek en gespecialiseerde kalverhouderijen op de Veluwe en in de Foodvalley behoort Gelderland al jarenlang tot de belangrijkste landbouwprovincies van Nederland. De provincie combineert traditionele familiebedrijven met moderne, gespecialiseerde ondernemingen die produceren voor zowel de Nederlandse als de internationale markt.

De veehouderij vormt bovendien de basis voor een omvangrijke agrofoodketen. Rond de bedrijven zijn voerleveranciers, dierenartsen, machinebouwers, transportbedrijven, slachterijen, zuivelverwerkers, eierpakstations en kennisinstellingen gevestigd. Daarmee is de sector niet alleen belangrijk voor de voedselproductie, maar ook voor de werkgelegenheid en de regionale economie.

Minder runderen, maar Gelderland blijft kalverprovincie

Het aantal runderen daalde in een jaar tijd van 890.991 naar 837.525, een afname van ongeveer zes procent. Binnen deze groep telt Gelderland nog altijd 220.960 melk- en kalfkoeien, naast ruim 136.000 stuks jongvee voor de melkveehouderij.

Opvallend is vooral het aantal 425.092 vleeskalveren. Daarmee blijft Gelderland een van de belangrijkste kalverhouderijgebieden van Nederland. Vooral in de Gelderse Vallei, de Veluwe en delen van de Achterhoek zijn veel gespecialiseerde kalverbedrijven gevestigd. De kalverhouderij vormt daar een belangrijke economische pijler en is nauw verweven met de melkveehouderij, waar een groot deel van de kalveren vandaan komt.

Ook het aantal rundveebedrijven liep terug. In 2025 telde Gelderland nog 4.183 rundveebedrijven, tegenover 4.364 een jaar eerder. Dat past in een trend die al langere tijd zichtbaar is: minder bedrijven, terwijl de overblijvende bedrijven gemiddeld groter worden.

Varkenshouderij krimpt fors

De sterkste afname is zichtbaar in de varkenshouderij. Het aantal varkens daalde van 1.673.312 naar 1.504.903, een vermindering van ruim tien procent. Vooral het aantal biggen, fokzeugen en vleesvarkens nam af.

Ook het aantal bedrijven liep fors terug. Waar in 2024 nog 699 bedrijven varkens hielden, waren dat er een jaar later nog 600. Dat betekent dat bijna één op de zeven varkensbedrijven in één jaar uit de statistieken verdween.

De ontwikkeling sluit aan bij een landelijke trend waarbij bedrijfsbeëindigingen, hoge investeringskosten, strengere milieueisen en economische onzekerheid leiden tot verdere schaalvergroting en concentratie van de sector.

Pluimveesector blijft onverminderd groot

Ondanks de veranderingen blijft de pluimveehouderij de grootste veehouderijtak van Gelderland. Op 1 april 2025 telde de provincie 16.210.112 kippen, een lichte stijging ten opzichte van een jaar eerder.

Binnen de sector nam vooral het aantal leghennen toe, van ruim 10,3 miljoen naar 10,7 miljoen dieren. Daar staat tegenover dat het aantal vleeskuikens afnam tot 3,4 miljoen.

Opvallend is dat deze enorme pluimveestapel wordt gehouden door relatief weinig bedrijven. In heel Gelderland waren nog 406 pluimveebedrijven actief. Gemiddeld houdt een pluimveebedrijf daarmee bijna 40.000 kippen, al lopen de verschillen tussen bedrijven in de praktijk sterk uiteen.

De Gelderse Vallei blijft het hart van deze sector. Rond plaatsen als Barneveld, Ede, Putten en Nijkerk is een compleet economisch cluster ontstaan waarin pluimveehouderij, eierhandel, voerindustrie, broederijen en kennisinstellingen elkaar versterken.

Schapen nemen af, geiten blijven stabiel

Ook de schapenhouderij kromp verder. Het aantal schapen daalde van 107.754 naar 92.593, een afname van ruim veertien procent. Tegelijkertijd liep het aantal schapenbedrijven terug van 1.289 naar 1.239.

Heel anders ontwikkelde de geitensector zich. Het aantal geiten bleef vrijwel gelijk op 153.508 dieren. Veruit het grootste deel bestaat uit melkgeiten, die melk produceren voor onder meer kaas, yoghurt en andere zuivelproducten. Ook het aantal geitenbedrijven bleef relatief stabiel met 623 bedrijven.

Minder bedrijven, grotere ondernemingen

Misschien wel de belangrijkste conclusie uit de CBS-cijfers is niet dat sommige diercategorieën krimpen, maar dat het aantal bedrijven in vrijwel alle sectoren verder afneemt.

Het aantal rundveebedrijven daalde met ruim vier procent, het aantal kalverbedrijven met bijna tien procent en het aantal varkensbedrijven zelfs met ruim veertien procent. Alleen de pluimveesector bleef relatief stabiel.

Deze ontwikkeling laat zien dat de Gelderse veehouderij steeds verder professionaliseert en specialiseert. Minder ondernemers houden gezamenlijk nog altijd miljoenen dieren. De gemiddelde omvang van bedrijven neemt daardoor geleidelijk toe, hoewel de verschillen tussen individuele bedrijven groot blijven.

De Gelderse veestapel in cijfers

DiersoortDieren (2025)Bedrijven (2025)
Rundvee837.5254.183
Melk- en kalfkoeien220.9602.185
Vleeskalveren425.092584
Varkens1.504.903600
Schapen92.5931.239
Geiten153.508623
Paarden en pony’s18.5971.441
Kippen16.210.112406

Bron: CBS Landbouwtelling 2025 datasets

Een sector die blijft veranderen

De Gelderse landbouw staat voor grote uitdagingen. Ondernemers krijgen te maken met strengere milieuregels, hoge kosten, technologische ontwikkelingen, veranderende markten en een voortdurende discussie over de toekomst van het landelijk gebied. Tegelijkertijd blijft de provincie een onmisbare schakel in de Nederlandse voedselvoorziening.

De nieuwste CBS-cijfers laten zien dat de veestapel geleidelijk verandert. Minder dieren en minder bedrijven betekenen echter niet automatisch dat het belang van de sector afneemt. Integendeel: de overblijvende bedrijven worden steeds specialistischer en produceren een groot deel van het voedsel dat dagelijks in Nederlandse en buitenlandse supermarkten terechtkomt.

In een volgend deel staat een logisch vervolg centraal: hoeveel mest produceren de miljoenen dieren in Gelderland, hoe wordt die verwerkt en welke rol speelt mest in de overgang naar een duurzamere landbouw?

Heeft u een foutje gezien of beschikt u over aanvullende informatie? Neem dan contact met ons op.

Weergaven: 147