Zijn we er in 26 jaar echt op vooruitgegaan?

Algemeen

Kijken we naar de afgelopen kwart eeuw, dan blijkt dat Nederlanders gemiddeld meer te besteden hebben gekregen. Uit een omvangrijke historische analyse van het CBS en de Universiteit Leiden blijkt dat de koopkracht van Nederlanders tussen eind jaren zeventig en 2020 met ongeveer 58 procent toenam. Ook in de periode daarna zette die ontwikkeling zich voort, ondanks enkele jaren van hoge inflatie.

Het CBS definieert het reëel beschikbaar inkomen als het inkomen na belastingen en premies, gecorrigeerd voor inflatie. Dat is de beste maatstaf om te bepalen of huishoudens daadwerkelijk meer kunnen kopen. In 2024 steeg dit reëel beschikbare inkomen met 3 procent, gevolgd door nog eens 2,7 procent in 2025. Die groei kwam vooral door hogere lonen, meer werkgelegenheid en stijgende inkomsten van zelfstandigen.

Ook de koopkrachtontwikkeling laat een positief beeld zien. In 2024 nam de koopkracht volgens het CBS met 3,6 procent toe, de grootste stijging in meer dan twintig jaar.

Maar de kosten van levensonderhoud stegen eveneens fors

Dat betekent niet dat Nederlanders alle prijsstijgingen moeiteloos hebben opgevangen. Vooral sinds 2021 kregen huishoudens te maken met een uitzonderlijke stijging van energieprijzen, boodschappen en woonlasten.

De inflatie treft bovendien niet iedereen even hard. Volgens De Nederlandsche Bank besteden huishoudens met lagere inkomens een groter deel van hun budget aan vaste lasten zoals huur, energie en dagelijkse boodschappen. Daardoor voelen zij prijsstijgingen sterker dan hogere inkomensgroepen.

Ook de nieuwe armoedemethode van CBS, SCP en Nibud laat zien dat noodzakelijke uitgaven voor wonen, energie, verzekeringen, internet en dagelijkse levensbehoeften een steeds grotere rol spelen bij de beoordeling van financiële bestaanszekerheid.

Nederland werd rijker, vooral op papier

Een belangrijke ontwikkeling die vaak over het hoofd wordt gezien, is de enorme groei van het huishoudvermogen. De stijgende huizenprijzen hebben ervoor gezorgd dat veel huishoudens vermogender zijn geworden.

Volgens CBS-cijfers bedroeg het totale vermogen van Nederlandse huishoudens begin 2022 ongeveer 2.490 miljard euro. Daartegenover stond weliswaar 931 miljard euro aan schulden, maar de bezittingen waren veel groter. De eigen woning vormt tegenwoordig veruit het belangrijkste vermogensbestanddeel van Nederlandse huishoudens.

Het CBS constateert bovendien dat het inflatiegecorrigeerde mediane vermogen van huishoudens trendmatig stijgt. Met andere woorden: niet alleen de allerrijksten zagen hun vermogen groeien, ook het doorsnee huishouden werd rijker.

De keerzijde: steeds hogere schulden

Tegenover die vermogensgroei staat een hoge schuldenlast. Nederlandse huishoudens behoren nog altijd tot de meest schuldbelaste van Europa, vooral vanwege hypotheken. Het CBS waarschuwt dat de schulden van huishoudens internationaal gezien hoog blijven en verder toenemen.

De woninghypotheekschuld groeide van ongeveer 485 miljard euro in 2006 naar ruim 850 miljard euro begin 2025. Inmiddels ligt de totale hypotheekschuld zelfs rond de 936 miljard euro. De stijgende huizenprijzen zijn hiervoor een belangrijke verklaring.

Niet iedereen profiteerde evenveel

De gemiddelde cijfers verhullen aanzienlijke verschillen. Terwijl veel werkenden de afgelopen jaren profiteerden van loonstijgingen en krapte op de arbeidsmarkt, bleven andere groepen achter.

Zo blijkt uit CBS-onderzoek dat mensen in bijstandshuishoudens veel minder profiteerden van de recente koopkrachtgroei dan werknemers. Daarnaast kampen mensen met lage inkomens relatief vaak met problematische schulden. In 2023 had ongeveer 31 procent van de mensen die onder de armoedegrens leefden te maken met geregistreerde problematische schulden.

Conclusie

Over de gehele periode van ongeveer 2000 tot 2026 wijst vrijwel alle beschikbare data in dezelfde richting: het netto besteedbaar inkomen en de koopkracht van Nederlanders zijn gemiddeld gestegen. Ook het vermogen van huishoudens nam sterk toe, vooral door de waardestijging van koopwoningen.
Tegelijkertijd zijn de woonkosten, energieprijzen en andere vaste lasten fors gestegen. Bovendien nam de hypotheekschuld sterk toe en profiteren niet alle huishoudens in dezelfde mate van de economische groei. Voor huiseigenaren met een stabiel inkomen ziet het beeld vaak gunstiger uit dan voor huurders, alleenstaanden of huishoudens met lage inkomens.

De stelling dat “alles duurder wordt” klopt dus, maar vertelt slechts een deel van het verhaal. De meeste Nederlanders zijn de afgelopen 26 jaar gemiddeld genomen wel degelijk welvarender geworden. Alleen is die welvaart minder gelijk verdeeld en wordt zij steeds vaker overschaduwd door hoge woonlasten, schulden en het gevoel dat financiële zekerheid minder vanzelfsprekend is geworden. De grootste verandering lijkt niet zozeer een gebrek aan welvaart, maar de manier waarop die welvaart is verdeeld en ervaren. Alleen is die welvaart minder gelijk verdeeld en wordt zij steeds vaker overschaduwd door hoge woonlasten, schulden en het gevoel dat financiële zekerheid minder vanzelfsprekend is geworden.

Heeft u een foutje gezien of beschikt u over aanvullende informatie? Neem dan contact met ons op.