Zorgkosten Nederland stijgen

Zorgkosten Nederland stijgen: hoe betaalbaar blijft de zorg en wat kunnen we leren van het ziekenfonds?

Zorg

De kosten van de Nederlandse gezondheidszorg blijven stijgen. Voor 2026 verwacht Zorginstituut Nederland dat de uitgaven aan het basispakket van de zorgverzekering met 6,1 procent toenemen tot € 65,6 miljard. Ook de langdurige zorg wordt duurder. Daarmee komt de vraag opnieuw op tafel hoe de zorg betaalbaar kan blijven, zonder dat mensen noodzakelijke behandelingen uitstellen of de kwaliteit van de zorg achteruitgaat. Is de vergrijzing de belangrijkste oorzaak, of spelen ook de inrichting van het zorgstelsel, medische ontwikkelingen en de manier waarop zorg wordt betaald een grote rol?

Zorgkosten in 2026: hoeveel betaalt Nederland?

De zorguitgaven bestaan uit verschillende onderdelen. Volgens de voorlopige cijfers van Zorginstituut Nederland stijgen de kosten van het basispakket van de Zorgverzekeringswet in 2026 naar verwachting tot € 65,6 miljard. De uitgaven aan langdurige zorg op grond van de Wet langdurige zorg komen naar schatting uit op € 40,8 miljard. Deze bedragen hebben betrekking op verschillende wettelijke regelingen en vormen samen niet alle uitgaven aan zorg en welzijn in Nederland. De ramingen zijn gebaseerd op voorlopige declaratiegegevens en kunnen nog veranderen.

De stijging heeft verschillende oorzaken. In de huisartsenzorg spelen hogere lonen en consulttarieven een rol. Ook het ziekenvervoer wordt duurder door hogere tarieven. Daarnaast stijgen de kosten van langdurige zorg. De Miljoenennota noemt naast loon- en prijsontwikkelingen onder meer vergrijzing, medische technologie, hoger zorggebruik bij stijgende inkomens en de relatief beperkte groei van de arbeidsproductiviteit als factoren achter de uitgavengroei. De ontwikkeling is daarmee breder dan alleen de toenemende zorgvraag van ouderen.

Zorgkosten rond 1989: het ziekenfonds en de particuliere verzekering

Eind jaren tachtig was de zorgverzekering anders georganiseerd dan tegenwoordig. Er bestond een onderscheid tussen ziekenfondsverzekerden en mensen met een particuliere ziektekostenverzekering. Werknemers in loondienst met een inkomen onder de wettelijke ziekenfondsgrens vielen doorgaans onder het ziekenfonds. Wie boven die grens verdiende, was veelal aangewezen op een particuliere verzekering. Voor bepaalde groepen ambtenaren golden afzonderlijke publiekrechtelijke regelingen.

Ook voor ondernemers en zelfstandigen was het verschil belangrijk. De vrijwillige ziekenfondsverzekering voor zelfstandigen was in 1986 afgeschaft. Zelfstandigen waren daardoor in beginsel aangewezen op een particuliere ziektekostenverzekering, ook wanneer hun inkomen beperkt was. De regering erkende later dat dit voor zelfstandigen met een bescheiden inkomen problemen kon opleveren. De historische verdeling en de achtergronden van het stelsel zijn beschreven in de CBS-publicatie over de ontwikkeling van de zorguitgaven en de financiering van de zorg en in de parlementaire toelichting op de uitbreiding van de ziekenfondsverzekering voor zelfstandigen.

Het CBS registreerde voor 1989 ongeveer 9,1 miljoen ziekenfondsverzekerden en 5,5 miljoen particulier verzekerden. Die aantallen geven de toenmalige verdeling weer, maar zijn geen volledige telling van alle inwoners en alle mogelijke verzekeringsregelingen. Bovendien zijn de zorguitgaven uit die periode niet rechtstreeks te vergelijken met de huidige begrotingscijfers. De omvang en afbakening van de statistieken zijn in de loop der jaren veranderd.

Volgens de historische CBS-reeks bedroegen de totale uitgaven aan zorg en welzijn in 1990 ongeveer € 26,7 miljard in toenmalige prijzen. Dat bedrag omvatte meer dan alleen de zorg die tegenwoordig uit het basispakket wordt betaald. Een vergelijking met de huidige uitgaven vraagt daarom om aandacht voor inflatie, bevolkingsgroei en de veranderde definitie van zorguitgaven.

Van ziekenfonds naar één basisverzekering

Op 1 januari 2006 werd de Zorgverzekeringswet ingevoerd. Daarmee verdween het onderscheid tussen ziekenfondsverzekerden en particulier verzekerden voor de reguliere geneeskundige zorg. Vrijwel alle inwoners kregen een verzekeringsplicht voor het wettelijk vastgestelde basispakket, terwijl verzekeraars een acceptatieplicht kregen. De financiering veranderde eveneens: naast de nominale premie kwam een inkomensafhankelijke bijdrage te staan, met verschillende regels voor werknemers, zelfstandigen en andere groepen.

De invoering van één basisverzekering betekende niet dat alle zorg onder één regeling kwam te vallen. Langdurige zorg, gemeentelijke ondersteuning en aanvullende verzekeringen hebben nog steeds eigen financieringsregels. Ook is het huidige eigen risico onderdeel van een stelsel dat in 1989 niet op dezelfde manier bestond. Een vergelijking tussen beide perioden gaat daarom niet alleen over de hoogte van de kosten, maar ook over de manier waarop die kosten worden verdeeld.

Is de vergrijzing de belangrijkste oorzaak van hogere zorgkosten?

De vergrijzing draagt bij aan de stijgende zorguitgaven, omdat de gemiddelde zorgbehoefte op hogere leeftijden groter is. Maar uit onderzoek van het Centraal Planbureau blijkt dat de ontwikkeling niet uitsluitend door demografische factoren wordt verklaard. In de periode 1972–2010 namen de uitgaven aan curatieve zorg gemiddeld met 7 procent per jaar toe en die aan langdurige zorg met 7,4 procent. Volgens de analyse hing meer dan de helft van deze groei samen met prijsstijgingen. Bevolkingsgroei, vergrijzing en veranderingen in de gezondheid van de bevolking droegen gezamenlijk ongeveer één procentpunt per jaar bij. Ook inkomensgroei speelde een belangrijke rol.

De uitkomsten zijn gebaseerd op een historische periode en kunnen niet zonder meer worden vertaald naar de huidige situatie. Ze laten wel zien waarom het te eenvoudig is om de stijgende zorgkosten volledig aan ouderen toe te schrijven. De analyse is gepubliceerd in het CPB-onderzoek Decompositie van de zorguitgaven, 1972–2010.

Daarnaast veranderen de medische mogelijkheden. Nieuwe geneesmiddelen, diagnostiek en behandelingen kunnen de levensverwachting en kwaliteit van leven verbeteren, maar brengen soms ook hogere kosten met zich mee. De mate waarin innovaties zichzelf terugverdienen door andere behandelingen te voorkomen, verschilt per toepassing en moet afzonderlijk worden onderzocht.

Eigen risico verhogen: oplossing voor de zorgkosten?

Een verhoging van het eigen risico kan ervoor zorgen dat verzekeraars minder uitgeven, doordat patiënten een groter deel van de rekening zelf betalen. Dat is echter niet automatisch hetzelfde als een efficiëntere zorgverlening. Wanneer mensen noodzakelijke zorg uitstellen vanwege de kosten, kan hun gezondheid verslechteren en kan later een zwaardere behandeling nodig zijn.

Het effect hangt af van het soort zorg, de financiële positie van de patiënt en de mate waarin het eigen risico daadwerkelijk onnodig zorggebruik vermindert. Een verhoging treft mensen die ieder jaar veel noodzakelijke zorg nodig hebben anders dan mensen die nauwelijks zorg gebruiken. Bovendien geldt het eigen risico niet voor alle zorg, waaronder een regulier bezoek aan de huisarts.

De politieke afweging gaat daarom niet alleen over de hoogte van het eigen risico, maar ook over de verdeling van de lasten. Een lagere collectieve uitgave kan betekenen dat een groter deel rechtstreeks door patiënten wordt betaald. Om te beoordelen of een maatregel werkelijk bespaart, moeten zowel de uitgaven van verzekeraars als de eigen betalingen en mogelijke vervolgkosten worden meegenomen.

Waar liggen mogelijkheden om zorg betaalbaarder te maken?

Een andere aanpak is het onderzoeken van uitgaven die weinig gezondheidswinst opleveren. Dat kan bijvoorbeeld gaan om dubbele diagnostiek, onnodige behandelingen, verspilling van geneesmiddelen of administratieve werkzaamheden die meerdere keren worden uitgevoerd. Het is daarbij van belang om onderscheid te maken tussen aantoonbaar overbodige zorg en behandelingen die duur zijn omdat ze medisch noodzakelijk zijn.

Ook samenwerking tussen huisartsen, ziekenhuizen, wijkverpleging en langdurige zorg kan relevant zijn. Wanneer patiënten op de juiste plek worden behandeld en zorgverleners tijdig informatie uitwisselen, kan dubbel werk worden beperkt. Verplaatsing van zorg leidt echter niet vanzelf tot besparingen: de kosten kunnen ook verschuiven naar een andere organisatie of naar mantelzorgers.

Preventie en ondersteuning bij zelfstandig wonen kunnen bijdragen aan gezondheid en kwaliteit van leven. De financiële effecten verschillen per maatregel en tijdshorizon. Daarom is het nodig om resultaten te meten aan de hand van totale zorguitgaven, gezondheidsuitkomsten, wachttijden en de toegankelijkheid van zorg.

De discussie over de betaalbaarheid van de Nederlandse zorg raakt daarmee aan meerdere keuzes tegelijk: welke behandelingen worden collectief betaald, hoe worden kosten verdeeld, welke uitgaven leveren aantoonbaar gezondheidswinst op en hoe wordt voorkomen dat noodzakelijke zorg buiten bereik komt te liggen? De historische vergelijking met het ziekenfonds biedt daarvoor context, maar de cijfers uit beide perioden moeten met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.

Heeft u een foutje gezien of beschikt u over aanvullende informatie? Neem dan contact met ons op.

Weergaven: 57