Als alcohol steeds minder normaal wordt, wat komt ervoor in de plaats?

Columns

We wijzen in Nederland graag met het vingertje. Naar mensen die roken, te veel drinken, ongezond eten of te weinig bewegen. Steeds vaker lijkt daarbij niet alleen de vraag te zijn wat iemand zelf wil, maar ook wat zijn of haar gedrag de samenleving kost. Dat is op zichzelf geen vreemde gedachte, maar zodra maatschappelijke kosten een belangrijk argument worden om ons gedrag te sturen, vind ik dat we die redenering wel consequent moeten durven toepassen. Want wat gebeurt er als alcohol steeds minder normaal mag worden en, misschien nog belangrijker, wat komt ervoor in de plaats?

Alcohol wordt van genotmiddel steeds meer een maatschappelijk probleem

De koers verandert. De Gezondheidsraad adviseerde in juni 2026 om alcoholgebruik te denormaliseren en te ontmoedigen. Volgens de raad bestaat er geen veilige ondergrens voor alcoholgebruik en brengt ook één glas per dag gezondheidsrisico’s met zich mee. Daarbij kijkt de raad niet alleen naar kanker en orgaanschade, maar ook naar verkeersongevallen, agressie, geweld en verslaving.

Daarmee is het oude beeld van alcohol als iets dat vooral verantwoord moet worden, aan het verschuiven. Alcohol is niet langer alleen een kwestie van persoonlijke keuze, maar wordt steeds nadrukkelijker bekeken als een product waarvan het gebruik gevolgen heeft voor de volksgezondheid en de veiligheid. Ik begrijp die redenering en vind het logisch dat nieuwe wetenschappelijke inzichten gevolgen hebben voor beleid. Maar er zit wel een interessante vraag onder: is gezondheidsschade de belangrijkste reden voor deze omslag, of speelt ook de maatschappelijke rekening een steeds grotere rol?

De rekening van alcohol loopt in de miljarden

Die maatschappelijke rekening bestaat daadwerkelijk. Een maatschappelijke kosten-batenanalyse van het RIVM kwam uit op netto kosten van ongeveer € 2,3 tot € 4,2 miljard op basis van cijfers uit 2013. Daarbij ging het onder meer om verlies aan arbeidsproductiviteit, politie en justitie en verkeersongevallen. Wanneer ook private kosten zoals voortijdige sterfte en verlies aan kwaliteit van leven worden meegenomen, kwam de berekening uit op € 4,2 tot € 6,1 miljard.

Maar hier moeten we journalistiek wel zorgvuldig blijven. Die bedragen zijn geen actuele kassabon waarop de samenleving jaarlijks precies kan zien wat alcohol kost. Het gaat om een maatschappelijke kosten-batenanalyse met aannames, waarderingen en verschillende scenario’s. Bovendien zijn niet alle mogelijke baten van alcoholgebruik eenvoudig in euro’s uit te drukken. Het RIVM noemt bijvoorbeeld het welzijn dat mensen aan alcohol beleven, maar neemt dat niet mee, omdat dit moeilijk betrouwbaar te kwantificeren is. Dat maakt de cijfers niet waardeloos, maar wel iets waar we voorzichtig mee moeten omgaan wanneer we grote conclusies trekken.

Het beleid gaat verder dan alleen de maatschappelijke kosten

De interessante ontwikkeling is dat de huidige beleidsomslag niet uitsluitend uit die kostenberekeningen lijkt voort te komen. De Gezondheidsraad baseert zijn recente advies vooral op de brede gezondheids- en veiligheidsrisico’s van alcohol. Het advies gaat expliciet uit van het idee dat alcoholgebruik voor alle bevolkingsgroepen en leeftijden minder vanzelfsprekend moet worden.

Daarmee verandert de discussie fundamenteel. We praten niet meer alleen over de vraag hoeveel iemand mag drinken, maar steeds meer over de vraag of alcoholgebruik überhaupt nog zo normaal moet zijn als het nu in Nederland is. En daar begint het interessant te worden, want als de overheid gedrag mag beïnvloeden omdat dat gedrag maatschappelijke gevolgen heeft, waar trekken we dan de grens?

Minder alcohol drinken lukt blijkbaar niet vanzelf

De overheid probeert al jaren problematisch alcoholgebruik terug te dringen. Het Nationaal Preventieakkoord stelde daarvoor ambities richting 2040, maar de doorrekening van het RIVM liet zien dat de bestaande afspraken onvoldoende effect hebben. Volgens de berekening zou het aandeel problematische drinkers in 2040 met de bestaande aanpak rond de 8 procent uitkomen, terwijl de ambitie 5 procent was. Het RIVM noemt daarom stevigere maatregelen, zoals prijsverhogingen, minder beschikbaarheid en verdere beperking van alcoholreclame.

Dat is misschien wel de belangrijkste ontwikkeling. Voorlichting alleen blijkt onvoldoende en als je werkelijk minder alcoholgebruik wilt, kom je al snel uit bij maatregelen die de omgeving van de consument veranderen: de prijs, de beschikbaarheid en de zichtbaarheid. Dat hoeft niet verkeerd te zijn, maar het is wel iets waarover we eerlijk moeten zijn. Preventie wordt op deze manier steeds nadrukkelijker gedragssturing.

Wat gebeurt er als je een gewoonte wegneemt?

Hier wordt het voor mij pas echt interessant. Mensen drinken niet uitsluitend omdat ze alcohol lekker vinden, maar ook omdat alcohol verweven is geraakt met sociale gewoonten. We drinken bij verjaardagen, op vakantie, tijdens het eten, bij een voetbalwedstrijd, na een lange werkdag en tijdens het uitgaan. Het is voor veel mensen onderdeel geworden van ontspanning en sociale interactie.

Als je alcoholgebruik terugdringt, verdwijnt die behoefte aan ontspanning, gezelligheid of een verandering van stemming niet automatisch. Misschien drinken mensen inderdaad gewoon minder en dat zou natuurlijk het beste resultaat zijn. Maar wat als mensen op zoek gaan naar iets anders? Dat is de vraag die ik in het huidige debat nauwelijks hoor.

We praten uitvoerig over de schadelijke kanten van alcohol en over maatregelen om het gebruik terug te dringen, maar waar is het gesprek over substitutie? Wat gebeurt er met het gedrag wanneer een genotsmiddel minder beschikbaar, duurder of sociaal minder geaccepteerd wordt? Dat lijkt mij geen onbelangrijke vraag wanneer we beleid maken dat rechtstreeks ingrijpt op een diepgewortelde gewoonte.

Van sigaret naar vape en straks van alcohol naar wat?

We kennen het mechanisme al uit het rookbeleid. Nederland heeft het roken de afgelopen decennia steeds verder ontmoedigd en het aantal rokers is sterk gedaald, maar nicotine verdween daarmee niet uit de samenleving. Nieuwe producten kwamen op, met de vape als prominent voorbeeld. Ik zeg daarmee nadrukkelijk niet dat vapen gezond is, want dat is het niet, en ook niet dat een vape zonder meer een goed alternatief voor een sigaret is.

Het voorbeeld laat wel iets anders zien: wanneer je één product terugdringt, verdwijnt daarmee niet noodzakelijk de onderliggende behoefte. Juist daarom zou ik bij alcohol niet alleen willen weten hoeveel minder mensen gaan drinken als de overheid verder ingrijpt, maar ook wat zij vervolgens gaan doen. Alcoholvrij bier en wijn liggen voor de hand, maar misschien zoeken sommige mensen hun ontspanning ergens anders of verschuift een deel van het gebruik naar andere middelen.

Ik weet niet of dat op grote schaal gebeurt en ik wil daar ook niet op vooruitlopen. Maar ik vind wel dat we het moeten onderzoeken voordat we doen alsof iedere vermindering van alcoholgebruik automatisch betekent dat het onderliggende probleem kleiner wordt. Beleid zou niet alleen moeten kijken naar wat we uit de samenleving halen, maar ook naar het gedrag dat daarvoor in de plaats komt.

Niet alles wat maatschappelijk kost, kunnen we verbieden

Want hier ligt voor mij de principiële grens. Als we maatschappelijke kosten als argument gebruiken om gedrag te beperken, kunnen we die redenering vrijwel eindeloos toepassen. Roken kost geld, alcohol kost geld, overgewicht kost geld, ongezonde voeding kost geld en te weinig bewegen kost geld. Ook arbeidsuitval en allerlei andere gezondheidsproblemen hebben maatschappelijke consequenties.

Dat betekent niet dat we daar niets tegen moeten doen. Het betekent wel dat we moeten oppassen voor een samenleving waarin ieder individueel risico uiteindelijk wordt vertaald naar een maatschappelijke kostenpost en vervolgens naar een rechtvaardiging voor nieuwe beperkingen. Want vrijheid heeft ook een waarde en die waarde staat niet altijd netjes in een spreadsheet.

De echte vraag gaat daarom niet over alcohol

Voor mij gaat deze discussie uiteindelijk niet over een glas bier of een fles wijn. Het gaat over de vraag hoeveel verantwoordelijkheid de overheid mag nemen voor ons individuele gedrag en hoeveel vrijheid we daarvoor willen inleveren. Als nieuwe wetenschappelijke inzichten aantonen dat alcohol schadelijker is dan we vroeger dachten, vind ik het logisch dat beleid verandert. Als alcoholgebruik bovendien leidt tot aantoonbare schade voor anderen, is het eveneens logisch dat de overheid grenzen stelt.

Maar laten we dan ook consequent zijn. Laten we niet alleen berekenen hoeveel maatschappelijke schade we voorkomen wanneer mensen minder drinken, maar ook onderzoeken wat mensen vervolgens gaan doen. Misschien blijkt uiteindelijk dat minder alcohol inderdaad simpelweg minder alcohol betekent. Maar misschien verschuift een deel van het gebruik naar iets anders, en als dat gebeurt, hebben we het probleem dan opgelost of alleen maar verplaatst?

Dat is volgens mij de vraag die we nu zouden moeten stellen, voordat we opnieuw enthousiast het vingertje opsteken. Want als alcohol steeds minder normaal wordt, wil ik eigenlijk maar één ding weten: wat wordt dan het nieuwe normaal?

Mike Tomale

Heeft u een foutje gezien of beschikt u over aanvullende informatie? Neem dan contact met ons op.

Weergaven: 12