Ik heb in mijn leven verschillende bedrijven geleid. Van een succesvol hosting- en webdesignbedrijf met vier medewerkers tot een lokale krant die met 21 vrijwilligers werd gemaakt. Ik heb dus niet alleen vanaf de zijlijn naar ondernemerschap gekeken, maar ook zelf aan het roer gestaan. Als directeur nam ik beslissingen op basis van resultaten, kosten, inkomsten, risico’s en vooral de vraag of een organisatie daadwerkelijk deed waarvoor zij was opgericht. Als iets niet werkte, moest je ingrijpen. Als een beslissing verkeerd uitpakte, kon je de verantwoordelijkheid niet eindeloos doorschuiven naar een werkgroep, overlegtafel of volgende managementlaag. Dat hoort nu eenmaal bij ondernemen.
Juist daarom kijk ik soms met verbazing naar de manier waarop binnen de overheid steeds vaker wordt geprobeerd om organisaties bedrijfsmatig te laten functioneren. Gemeenten en provincies worden volgehangen met programma’s, KPI’s, dashboards, uitvoeringsagenda’s, managementlagen en businesscases. Er wordt gesproken over rendement, efficiency en investeringen. Op papier klinkt dat allemaal professioneel. Maar een overheid is geen bedrijf. En wat mij vooral opvalt, is dat bedrijfsmatig werken soms wordt verward met steeds meer management, overleg en het verdelen van verantwoordelijkheid, terwijl echte verantwoordelijkheid juist vraagt om mensen die besluiten durven te nemen en daarop aanspreekbaar zijn.
Een gemeente heeft geen aandeelhouders
Een bedrijf kan uiteindelijk worden afgerekend op winst, verlies en rendement. Een gemeente heeft een andere opdracht. De gemeentelijke begroting is geen ondernemingsplan waarmee aandeelhouders aan het einde van het jaar dividend verwachten. De belangrijkste inkomsten komen bovendien niet uit vrijwillige aankopen van klanten, maar uit belastingen en uitkeringen van het Rijk. De Rijksoverheid benadrukt dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor een breed pakket aan publieke taken en dat hun financiële positie mede wordt bepaald door de middelen die zij vanuit het Rijk ontvangen. Dat maakt de vergelijking met een onderneming al snel mank.
Toch is de bedrijfsmatige taal begrijpelijk. Wie met publiek geld werkt, moet kunnen uitleggen wat ermee gebeurt. Een gemeente die miljoenen uitgeeft zonder doel, zonder controle en zonder evaluatie zou terecht kritiek krijgen. Efficiëntie is dus geen vies woord. Het probleem ontstaat pas wanneer efficiëntie het belangrijkste criterium wordt. Want niet alles wat maatschappelijk waardevol is, levert financieel rendement op.
Wat is het rendement van een bibliotheek?
Een bibliotheek is een eenvoudig voorbeeld. Je kunt het aantal bezoekers tellen, het aantal uitleningen meten en de kosten per bezoeker berekenen. Maar daarmee heb je nog niet de volledige maatschappelijke waarde in beeld. Hetzelfde geldt voor een dorpshuis, een park, jongerenwerk of een buurthuis. Wat is de financiële opbrengst van een medewerker die ervoor zorgt dat een kwetsbare inwoner eindelijk de juiste hulp krijgt? Wat is de economische waarde van een ontmoetingsplek die voorkomt dat een dorp langzaam zijn sociale samenhang verliest?
Daarmee wordt niet gezegd dat iedere voorziening automatisch moet blijven bestaan, omdat die ‘belangrijk’ wordt genoemd. Ook publieke voorzieningen mogen kritisch worden beoordeeld. Maar de beoordeling zou wel moeten plaatsvinden op basis van de juiste maatstaf. Een gemeente is er immers niet alleen om geld zo efficiënt mogelijk rond te pompen. Zij is er ook om een gemeenschap leefbaar, veilig en toegankelijk te houden.
De burger is geen klant
Een andere ontwikkeling is de manier waarop inwoners steeds vaker als klanten worden benaderd. Ook daar zit een begrijpelijke gedachte achter. Gemeentelijke dienstverlening moet toegankelijk zijn en inwoners mogen verwachten dat een aanvraag niet onnodig ingewikkeld wordt. Maar een inwoner is meer dan een klant.
Een klant kan besluiten een andere winkel te kiezen wanneer de dienstverlening niet bevalt. Een inwoner kan niet overstappen naar een concurrerende gemeente, omdat het afvalbeleid, de woningbouw of de lokale belastingen hem niet bevallen. Hij woont er, betaalt er belasting en heeft via verkiezingen invloed op het bestuur.
Dat maakt de verhouding fundamenteel anders. De gemeente is geen leverancier van diensten aan consumenten, maar een democratische bestuurslaag die publieke belangen tegen elkaar moet afwegen. Dat betekent soms zelfs dat de overheid bewust kiest voor iets wat financieel onrendabel is.
Bedrijfsmatig werken is niet hetzelfde als goed bestuur
Daarmee is niet gezegd dat gemeenten terug moeten naar een tijd waarin iedere voorziening simpelweg bleef bestaan, omdat die er nu eenmaal was. Integendeel. Juist in tijden van financiële krapte is het noodzakelijk om kritisch te kijken naar beleid, subsidies, personeel, vastgoed en samenwerkingsverbanden.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten wijst al jaren op de financiële uitdagingen waarmee gemeenten worden geconfronteerd. Gemeenten moeten daarom keuzes maken over wat zij wel en niet kunnen betalen. Dat vraagt om degelijk financieel management. Maar financieel management is iets anders dan ondernemerschap.
Een onderneming mag besluiten een verliesgevende activiteit te stoppen wanneer die niet langer bijdraagt aan de strategie. Een gemeente kan zo’n besluit niet uitsluitend op financiële gronden nemen. Een voorziening kan weinig geld opleveren en toch essentieel zijn voor een dorp, wijk of bepaalde groep inwoners. Daar ligt een belangrijke grens.
De spreadsheet kan nooit de hele werkelijkheid bevatten
Het gevaar van een steeds bedrijfsmatiger overheid zit daarom niet in een begroting, een KPI of een businesscase afzonderlijk. Het gevaar zit in de veronderstelling dat alles wat belangrijk is meetbaar moet zijn voordat het waarde heeft. Niet iedere maatschappelijke waarde laat zich uitdrukken in euro’s.
Een gemeente kan uitstekend scoren op efficiency en tegelijkertijd minder leefbaar worden. Een project kan financieel binnen de begroting blijven en toch weinig toevoegen. Een bezuiniging kan op papier geld besparen, maar later elders veel hogere maatschappelijke kosten veroorzaken.
Daarom zouden bestuurders niet alleen moeten vragen: wat kost het en wat levert het op? De minstens zo belangrijke vragen zijn: voor wie doen we dit, welk publiek belang dienen we ermee en wat gebeurt er wanneer we het niet doen? Dat zijn geen zachte vragen. Het zijn juist vragen die horen bij professioneel openbaar bestuur.
De gemeente hoeft geen BV te worden
Misschien is het tijd om de metafoor om te draaien. Gemeenten kunnen best iets leren van bedrijven: efficiënt werken, kritisch naar kosten kijken, duidelijke doelen formuleren en verantwoordelijkheid nemen voor resultaten. Maar bedrijven kunnen ook iets leren van gemeenten. Niet iedere waarde hoeft in winst uitgedrukt te worden. Niet iedere investering hoeft financieel rendement te hebben. En niet iedere beslissing kan worden teruggebracht tot een spreadsheet.
De gemeente is geen BV en de inwoner is geen aandeelhouder. Het uiteindelijke rendement van openbaar bestuur staat niet onderaan een winst- en verliesrekening, maar in de kwaliteit van de samenleving.
En misschien is dat precies waar we bij iedere nieuwe ‘investering’, ieder nieuw programma en iedere bezuiniging iets vaker naar zouden moeten kijken: niet alleen of het financieel klopt, maar of het publieke belang er uiteindelijk werkelijk beter van wordt.
Mike Tomale
Heeft u een foutje gezien of beschikt u over aanvullende informatie? Neem dan contact met ons op.
Weergaven: 44





