Wie beelden ziet van duizenden hectares uitgebrand bos, zou gemakkelijk kunnen concluderen dat natuurbranden nu eenmaal bij Zuid-Europa horen. Toch denken steeds meer wetenschappers daar anders over. Vuur zal nooit helemaal verdwijnen uit het mediterrane landschap, maar de omvang van de grootste branden kan volgens hen wel degelijk worden beperkt.
De discussie verschuift daarom langzaam van brandbestrijding naar brandpreventie. Jarenlang lag de nadruk vooral op het blussen van natuurbranden. Landen investeerden miljarden euro’s in blusvliegtuigen, helikopters, brandweerposten en noodplannen. Die investeringen redden jaarlijks levens en voorkomen dat duizenden branden verder om zich heen grijpen. Toch wijzen onderzoekers erop dat een steeds groter deel van het beschikbare budget naar de bestrijding van branden gaat, terwijl relatief weinig geld wordt besteed aan het voorkomen ervan.
Volgens de European Environment Agency (EEA) is die balans uit evenwicht geraakt. De organisatie pleit ervoor om natuurgebieden zó in te richten dat branden minder kans krijgen om uit te groeien tot megabranden. Dat betekent niet dat vuur volledig kan worden voorkomen, maar wel dat de intensiteit en verspreiding kunnen worden beperkt.
Van blussen naar voorkomen
Lange tijd werd succes vooral afgemeten aan de snelheid waarmee een natuurbrand werd geblust. Dat beleid had echter een onverwacht neveneffect.
Kleinere natuurbranden, die vroeger vanzelf uitdoofden of slechts een beperkt gebied troffen, werden steeds vaker onmiddellijk bestreden. Ecologen wijzen erop dat hierdoor op veel plaatsen nauwelijks nog natuurlijke verjonging plaatsvond, terwijl dood hout, struiken en jonge bomen zich jaar na jaar bleven ophopen. Zo ontstond op sommige locaties een steeds dikkere laag brandbaar materiaal.
Dat betekent niet dat branden hun gang moeten kunnen gaan. Wel groeit internationaal het besef dat natuurgebieden regelmatig onderhoud nodig hebben. De Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) noemt actief landschapsbeheer inmiddels een van de belangrijkste instrumenten om de gevolgen van extreme natuurbranden te beperken.
Schapen als natuurlijke brandweer
Een van de opvallendste oplossingen is tegelijkertijd een van de oudste. Eeuwenlang trokken herders met grote kuddes schapen en geiten door de bergen van Spanje, Portugal, Italië en Griekenland. Hun dieren aten gras, jonge struiken en lage begroeiing weg. Zonder dat iemand zich daarvan bewust was, verwijderden zij daarmee ieder jaar enorme hoeveelheden brandbaar materiaal uit het landschap. Toen veel herders verdwenen, verdween ook deze vorm van natuurlijk onderhoud.
Daarom keren in verschillende Spaanse regio’s inmiddels opnieuw kuddes terug in gebieden waar het brandrisico groot is. Volgens onderzoekers van de Universitat Autònoma de Barcelona en verschillende Spaanse natuurbeheerders kan gerichte begrazing de hoeveelheid brandstof aanzienlijk verminderen. Schapen lossen het probleem niet op, maar maken deel uit van een bredere strategie waarin ook bosbeheer, brandgangen en gecontroleerde ingrepen een plaats hebben.
Vuur als beheersinstrument
Dat klinkt tegenstrijdig: bosbranden voorkomen door zelf vuur aan te steken. Toch gebeurt dat op steeds meer plaatsen. Onder gecontroleerde omstandigheden steken bosbeheerders kleine stukken vegetatie bewust in brand. Deze zogenoemde prescribed burns of gecontroleerde branden worden uitgevoerd wanneer de luchtvochtigheid hoog genoeg is, de wind beperkt blijft en hulpdiensten direct kunnen ingrijpen.
Het doel is eenvoudig: een klein, beheersbaar vuur nu voorkomt een onbeheersbare vuurzee later. Deze methode wordt al tientallen jaren toegepast in onder meer Portugal, Spanje, de Verenigde Staten en Australië. Volgens de US Forest Service en het European Forest Institute behoren gecontroleerde branden, mits zorgvuldig uitgevoerd, tot de effectiefste middelen om de hoeveelheid brandbare vegetatie terug te dringen. Tegelijkertijd waarschuwen beide organisaties dat deze aanpak alleen werkt wanneer zij onderdeel is van een langetermijnstrategie met goed natuurbeheer, monitoring en voldoende draagvlak in de omgeving.
Daarmee ontstaat langzaam een ander beeld van natuurbrandbestrijding. Niet langer staat uitsluitend de vraag centraal hoe snel een brand kan worden geblust, maar vooral hoe het landschap zo kan worden ingericht dat een volgende brand minder kans krijgt om uit te groeien tot een ramp.
Satellieten, kunstmatige intelligentie en de rol van Defensie
Bosbrandbestrijding speelt zich allang niet meer alleen af op de grond. De afgelopen jaren is de technologische ontwikkeling in een stroomversnelling geraakt. Satellieten brengen dagelijks de toestand van vegetatie in kaart, drones verkennen moeilijk bereikbare gebieden en kunstmatige intelligentie helpt voorspellen waar het risico op natuurbranden het grootst is.
Het Copernicus Emergency Management Service en het European Forest Fire Information System (EFFIS) verzamelen continu gegevens over temperatuur, bodemvocht, vegetatie, wind en historische branden. Daarmee kunnen risicogebieden steeds nauwkeuriger worden aangewezen. Brandweerkorpsen gebruiken deze informatie om materieel en personeel vooraf te positioneren, nog voordat de eerste rookpluim zichtbaar is.
Ook de Europese samenwerking is de afgelopen jaren verder uitgebreid. Via het Europese rescEU-programma kunnen lidstaten extra blusvliegtuigen, helikopters en gespecialiseerde teams inzetten wanneer een land de omvang van een natuurbrand niet meer alleen aankan. Tijdens de zware brandseizoenen in Zuid-Europa werden deze gezamenlijke middelen de afgelopen jaren herhaaldelijk ingezet.
In verschillende mediterrane landen speelt ook Defensie een belangrijke ondersteunende rol. Militairen helpen bij evacuaties, bouwen noodvoorzieningen, vervoeren materieel, ondersteunen de logistiek en leveren met helikopters en drones informatie over moeilijk bereikbare brandhaarden. Het gaat nadrukkelijk niet om een militaire oplossing voor een natuurprobleem, maar om extra capaciteit wanneer de civiele hulpverlening onder grote druk komt te staan. Ook de NAVO besteedt steeds meer aandacht aan de gevolgen van klimaatgerelateerde rampen voor de veiligheid en paraatheid van lidstaten.
Kan Nederland hiervan leren?
Nederland kent een heel ander landschap dan Spanje of Portugal. Toch waarschuwen deskundigen dat ook ons land kwetsbaar is voor langdurige droogte. De grote natuurbranden op de Strabrechtse Heide in 2020 en de Deurnese Peel lieten zien dat ook Nederlandse natuurgebieden onder extreme omstandigheden moeilijk beheersbaar kunnen worden.
Vooral de Veluwe verdient daarbij aandacht. Met ruim 90.000 hectare bos, heide en zandverstuivingen is dit het grootste aaneengesloten natuurgebied van Nederland. Door droge zomers, naaldbossen en uitgestrekte heidevelden bestaat ook hier een verhoogd natuurbrandrisico. De Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland werkt daarom samen met terreinbeheerders, natuurorganisaties en gemeenten aan natuurbrandbeheersing, waarbij preventie een steeds belangrijkere plaats inneemt.
Dat gebeurt onder meer door brandgangen aan te leggen, bluswatervoorzieningen te verbeteren, natuurgebieden toegankelijk te houden voor hulpdiensten en de samenwerking tussen terreinbeheerders en veiligheidsdiensten te intensiveren. Ook Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en de Provincie Gelderland investeren in maatregelen die natuurgebieden weerbaarder moeten maken tegen langdurige droogte en natuurbranden.
Toch wijzen deskundigen erop dat Nederland niet simpelweg de aanpak van Zuid-Europa kan kopiëren. Gecontroleerde branden worden hier bijvoorbeeld veel minder toegepast vanwege de hoge bevolkingsdichtheid, de versnippering van natuurgebieden en de nabijheid van woningen en infrastructuur. Wel groeit ook in Nederland het besef dat natuurbrandbeheersing begint lang voordat de eerste vlam zichtbaar wordt.
Een nieuw evenwicht
De grootste les uit Zuid-Europa is misschien wel dat natuurbranden niet uitsluitend kunnen worden bestreden met méér vliegtuigen, méér brandweerauto’s of méér bluswater.
Steeds meer onderzoekers spreken over het creëren van een brandveilig landschap. Dat betekent gevarieerde bossen, minder aaneengesloten brandbare vegetatie, ruimte voor begrazing waar dat ecologisch verantwoord is, slim natuurbeheer, moderne technologie en een goede samenwerking tussen overheden, natuurbeheerders, hulpdiensten en inwoners.
Volgens het European Environment Agency (EEA) zal Europa zich moeten aanpassen aan een toekomst waarin hete en droge zomers vaker voorkomen. Dat vraagt niet alleen om investeringen in noodhulp, maar vooral om een andere manier van omgaan met bossen en natuurgebieden.
Conclusie
Wie de beelden van de grote natuurbranden ziet, krijgt gemakkelijk de indruk dat Zuid-Europa ten prooi valt aan een onvermijdelijke natuurramp. De werkelijkheid is ingewikkelder.
Ja, klimaatverandering vergroot het risico op extreme natuurbranden. Maar zonder de ingrijpende veranderingen in het landschap, de ontvolking van het platteland, de ophoping van brandbaar materiaal en menselijke ontstekingsbronnen zouden veel branden nooit de omvang bereiken die zij tegenwoordig hebben.
Juist daarin schuilt ook een belangrijke les voor Nederland. Een natuurbrand begint misschien met een vonk, maar de omstandigheden die bepalen of die vonk uitgroeit tot een ramp worden vaak jarenlang, soms zelfs tientallen jaren, daarvoor gecreëerd.
De vraag is daarom niet alleen hoe we de volgende natuurbrand bestrijden. De belangrijkere vraag is hoe we onze natuurgebieden zó beheren dat die volgende megabrand misschien nooit ontstaat.
Daarmee verandert de discussie fundamenteel. Niet vuur staat centraal, maar de keuzes die samenlevingen maken over hun landschap. En juist die keuzes zullen bepalen hoe weerbaar Europa is in een toekomst waarin extreem weer steeds vaker de norm lijkt te worden.
Meer over dit dossier:
- Lees hier deel 1: Waarom Zuid-Europa ieder jaar opnieuw brandt (deel 1)
Heeft u een foutje gezien of beschikt u over aanvullende informatie? Neem dan contact met ons op.
Weergaven: 43






