In maart 2015 dook in Drenthe een dier op dat Nederland al meer dan anderhalve eeuw niet meer in het wild had gezien. De wolf was terug. De waarneming haalde het landelijke nieuws en vormde het begin van een debat dat nog altijd voortduurt. Voor veel mensen leek de terugkeer onverwacht. Toch zagen biologen en ecologen deze ontwikkeling al jaren aankomen. Om te begrijpen waarom, moeten we niet beginnen in 2015, maar bijna twee eeuwen eerder.
Eeuwenlang maakte de wolf deel uit van het Nederlandse landschap. In uitgestrekte bossen, heidevelden en moerasgebieden leefde het roofdier naast mensen, vee en wild. Dat veranderde vanaf de achttiende en negentiende eeuw ingrijpend. Bossen werden gekapt voor landbouw en houtwinning, heidevelden verdwenen door ontginning en de bevolking groeide snel. Tegelijkertijd werd de wolf steeds vaker gezien als een bedreiging voor schapen, geiten en ander vee.
Overheden stimuleerden daarom de jacht op wolven. In verschillende provincies en heerlijkheden werden premies uitgeloofd voor ieder gedood dier. De combinatie van intensieve vervolging en het verdwijnen van geschikte leefgebieden zorgde ervoor dat de wolf geleidelijk uit Nederland verdween. Volgens de Zoogdiervereniging wordt algemeen aangenomen dat de laatste permanent levende wolven halverwege de negentiende eeuw uit Nederland verdwenen. Ook het Compendium voor de Leefomgeving (CLO) beschrijft hoe grote roofdieren in West-Europa in die periode vrijwel overal sterk achteruitgingen.
Verdwenen uit Nederland, niet uit Europa
Hoewel de wolf uit Nederland verdween, betekende dat niet dat de soort uit Europa verdween. In afgelegen berggebieden en uitgestrekte bosgebieden bleven populaties bestaan, onder meer in Polen, Roemenië, de Balkan, Italië en delen van Spanje. Juist deze populaties zouden later de basis vormen voor het herstel van de wolf in grote delen van Europa.
Dat herstel kwam niet vanzelf. Vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw veranderde de manier waarop Europese landen naar natuur keken. Waar roofdieren vroeger vooral als schadelijk werden beschouwd, groeide het besef dat zij een belangrijke rol spelen in natuurlijke ecosystemen. Tegelijkertijd verdwenen veel vormen van intensieve vervolging en ontstond internationale samenwerking om bedreigde diersoorten beter te beschermen.
Een belangrijk keerpunt was de Conventie van Bern van de Raad van Europa uit 1979. Deze overeenkomst verplicht aangesloten landen om bedreigde wilde planten en dieren beter te beschermen. Binnen de Europese Unie werd dat uitgangspunt later verder uitgewerkt in de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG), die nog altijd de juridische basis vormt voor de bescherming van de wolf.
De eerste tekenen van herstel
Terwijl Nederland nog altijd zonder wolven was, begonnen de populaties in Midden- en Oost-Europa langzaam te groeien. Dat kwam niet alleen door wettelijke bescherming, maar ook doordat bossen zich op veel plaatsen herstelden en grote hoefdieren, zoals reeën, edelherten en wilde zwijnen, in aantal toenamen. Daarmee ontstonden opnieuw geschikte leefgebieden voor grote roofdieren.
Vooral in Duitsland werd die ontwikkeling zichtbaar. Vanaf het begin van deze eeuw vestigden zich daar de eerste nieuwe wolvenroedels, nadat dieren vanuit Polen de grens waren overgestoken. Jaar na jaar groeide het aantal territoria. Voor Duitse biologen was dat een bijzonder herstel van een diersoort die ook daar lange tijd vrijwel verdwenen was. Voor Nederlandse onderzoekers betekende het vooral dat de kans toenam dat zwervende jonge wolven uiteindelijk ook Nederland zouden bereiken.
Die verwachting was gebaseerd op de ecologie van de wolf. Jonge dieren verlaten na één tot twee jaar het territorium waarin zij zijn geboren en kunnen tijdens hun zoektocht naar een eigen leefgebied honderden kilometers afleggen. Een landsgrens vormt daarbij geen natuurlijke barrière. Naarmate de Duitse populatie dichter bij Nederland kwam, werd de vraag daarom niet langer óf een wolf Nederland zou bereiken, maar wanneer.
Het Duitse Bundesamt für Naturschutz (BfN) publiceert al jaren gegevens over de groei van de Duitse wolvenpopulatie. Die cijfers laten zien hoe de soort zich geleidelijk vanuit Oost-Duitsland uitbreidde richting het westen en daarmee steeds dichter bij Nederland kwam.
Een ontwikkeling die werd gevolgd
Toen de eerste wolf uiteindelijk in 2015 Nederland bereikte, betekende dat voor veel mensen het begin van een nieuw hoofdstuk. Voor onderzoekers was het juist de bevestiging van een ontwikkeling die zich al jarenlang aftekende. De volgende vraag was daarom niet alleen hoe de wolf Nederland had bereikt, maar ook hoe wetenschappers die terugkeer al zo lang van tevoren hadden zien aankomen.
De opmars vanuit Duitsland
Toen de laatste wolf uit Nederland verdween, leek zijn terugkeer lange tijd ondenkbaar. Ook in Duitsland was de soort in de negentiende eeuw vrijwel volledig uitgeroeid. Toch veranderde dat beeld aan het einde van de twintigste eeuw. Niet door een herintroductieprogramma, maar doordat wolven vanuit West-Polen op eigen kracht de grens overstaken. Wat begon met enkele zwervende dieren, groeide uit tot een van de opvallendste natuurontwikkelingen van Europa.
In 2000 werd in de Duitse deelstaat Saksen voor het eerst in meer dan een eeuw een voortplantende wolvenroedel vastgesteld. Dat moment geldt als het officiële begin van de terugkeer van de wolf in Duitsland. Vanaf dat moment groeide de populatie vrijwel ieder jaar verder. Jonge wolven trokken vanuit bestaande territoria naar nieuwe gebieden, waardoor het verspreidingsgebied zich geleidelijk uitbreidde richting het westen en noorden. De ontwikkeling wordt jaarlijks vastgelegd door het Bundesamt für Naturschutz (BfN) en de Dokumentations- und Beratungsstelle des Bundes zum Thema Wolf (DBBW).
Zwervers op zoek naar een eigen territorium
Het succes van de wolf hangt nauw samen met zijn natuurlijke gedrag. Zodra jonge wolven ongeveer één tot twee jaar oud zijn, verlaten zij het territorium waarin zij zijn geboren. Biologen noemen dit de dispersiefase. Tijdens deze zoektocht naar een eigen leefgebied kunnen wolven honderden kilometers afleggen. Afstanden van meer dan 500 kilometer zijn geen uitzondering en in Europa zijn zelfs zwerftochten van meer dan 1.000 kilometer gedocumenteerd.
Juist dat gedrag maakte de terugkeer naar Nederland waarschijnlijk. Naarmate de Duitse populatie groeide, nam ook het aantal jonge wolven toe dat op zoek ging naar een eigen territorium. Nederland lag letterlijk op hun route. Voor ecologen was het daarom geen vraag óf een wolf de grens zou oversteken, maar wanneer dat zou gebeuren.
Volgens Wageningen Environmental Research – Wolven in Nederland was de uitbreiding van de Duitse populatie een van de belangrijkste aanwijzingen dat Nederland zich moest voorbereiden op de terugkeer van de soort.
Waarom juist Nederland?
Dat een wolf Nederland zou bereiken, betekende niet automatisch dat hij hier ook zou blijven. Daarvoor zijn geschikte leefgebieden nodig: voldoende rust, voldoende voedsel en genoeg ruimte om een territorium te vormen.
Onderzoekers wezen al vroeg op de Veluwe als een van de meest kansrijke gebieden. Het uitgestrekte bosgebied, de aanwezigheid van edelherten, reeën en wilde zwijnen en de relatief beperkte menselijke verstoring maakten de Veluwe ecologisch aantrekkelijk voor wolven. Ook delen van Drenthe en het grensgebied met Duitsland werden als geschikt leefgebied beschouwd.
Die verwachtingen waren gebaseerd op habitatonderzoek van Wageningen Environmental Research, waarin verschillende landschappelijke kenmerken werden geanalyseerd. Het onderzoek voorspelde niet waar een wolf zich precies zou vestigen, maar liet wel zien dat Nederland ecologisch niet langer ongeschikt was voor de soort.
Nederland wachtte niet af
Terwijl de Duitse wolvenpopulatie groeide, begonnen Nederlandse onderzoekers en overheden zich voor te bereiden. Dat gebeurde al jaren voordat de eerste wolf daadwerkelijk werd vastgesteld.
Er werd gewerkt aan monitoringsprotocollen, afspraken over de beoordeling van waarnemingen en de inrichting van een landelijk meldsysteem. Ook werd onderzocht hoe schade aan landbouwhuisdieren objectief kon worden vastgesteld en welke kennis nodig zou zijn als de wolf zich daadwerkelijk in Nederland zou vestigen.
Deze voorbereidingen vonden plaats voordat de eerste wolf de grens overstak. Daarmee ontstond een belangrijk verschil tussen beeld en werkelijkheid. In het publieke debat leek de komst van de wolf soms onverwacht, maar binnen de wetenschap en het natuurbeheer werd de ontwikkeling al geruime tijd gevolgd. Dat blijkt onder meer uit publicaties van Wageningen Environmental Research en uit het later opgestelde Interprovinciaal Wolvenplan, waarin deze voorbereidingsfase wordt beschreven.
De onvermijdelijke ontmoeting
Begin 2015 kwam waar onderzoekers al jaren rekening mee hielden. Een jonge zwervende wolf stak de Duitse grens over en werd in Drenthe officieel vastgesteld. Daarmee werd Nederland opnieuw onderdeel van het natuurlijke verspreidingsgebied van de Centraal-Europese wolvenpopulatie.
Voor veel Nederlanders begon het verhaal van de wolf op dat moment. Voor biologen was het juist de bevestiging van een ontwikkeling die zich al meer dan tien jaar had afgetekend.
Van eerste waarneming naar eerste roedel
Toen in maart 2015 een wolf in Drenthe officieel werd vastgesteld, betekende dat niet dat Nederland direct weer een wolvenland was. De waarneming bevestigde wel dat de soort de Nederlandse grens op eigen kracht had bereikt, maar één zwervend dier maakt nog geen populatie. Voor biologen vormde de wolf vooral het bewijs dat de uitbreiding van de Centraal-Europese wolvenpopulatie inmiddels ook Nederland had bereikt.
Dat onderscheid is belangrijk. Jonge wolven verlaten na één tot twee jaar het territorium waarin zij zijn geboren en leggen tijdens hun zoektocht naar een eigen leefgebied soms honderden kilometers af. Veel van deze dieren vestigen zich uiteindelijk elders, terwijl anderen slechts korte tijd in een gebied verblijven. Een enkele waarneming zegt daarom weinig over blijvende aanwezigheid.
Wanneer is iets écht een wolf?
Juist omdat de terugkeer van de wolf veel publieke belangstelling trok, ontstonden al snel meldingen van mensen die dachten een wolf te hebben gezien. Foto’s van grote hondachtigen verschenen op sociale media en werden regelmatig als bewijs gepresenteerd. Voor onderzoekers is zo’n afbeelding echter slechts een eerste aanwijzing.
De officiële monitoring werkt volgens internationaal vastgestelde protocollen. Iedere melding wordt beoordeeld op de kwaliteit van het beschikbare bewijs. Foto’s en videobeelden kunnen daarbij een rol spelen, maar ook pootafdrukken, uitwerpselen, haren, prooiresten en ander biologisch materiaal worden onderzocht. Pas wanneer voldoende objectief bewijs beschikbaar is, wordt een waarneming officieel bevestigd. De Nederlandse monitoringsmethodiek sluit aan bij internationale afspraken en is beschreven door Wageningen Environmental Research – Wolven in Nederland.
DNA als onmisbaar bewijs
De grootste verandering in het moderne wolvenonderzoek is de rol van DNA-analyse. Waar onderzoekers vroeger grotendeels afhankelijk waren van zichtwaarnemingen en sporen in het veld, kan tegenwoordig genetisch onderzoek uitsluitsel geven over de identiteit van een dier.
Wanneer biologisch materiaal beschikbaar is – bijvoorbeeld haren, uitwerpselen of speeksel op een doodgebeten schaap – wordt eerst onderzocht of het daadwerkelijk van een wolf afkomstig is. Als de kwaliteit van het monster voldoende is, kan vervolgens vaak worden vastgesteld om welk individueel dier het gaat en uit welke populatie het afkomstig is.
Deze analyses worden in Nederland uitgevoerd door Wageningen Environmental Research in opdracht van de gezamenlijke provincies. De resultaten vormen een belangrijk onderdeel van de landelijke monitoring en maken het mogelijk individuele wolven over langere tijd te volgen.
Een internationaal netwerk
DNA-onderzoek stopt niet bij de landsgrenzen. Europese laboratoria wisselen genetische gegevens uit om de verspreiding van wolven in kaart te brengen. Daardoor kan worden vastgesteld of een wolf die in Nederland wordt aangetroffen eerder al in Duitsland, België of Polen is geregistreerd.
Die samenwerking verloopt onder meer via het CEwolf Consortium, waarin laboratoria en onderzoekers hun gegevens en onderzoeksmethoden op elkaar afstemmen. Daardoor ontstaat niet alleen inzicht in de routes die wolven afleggen, maar ook in familiebanden en de ontwikkeling van de Centraal-Europese populatie.
De eerste Nederlandse roedel
Na de eerste bevestigde waarneming in 2015 volgden in de jaren daarna steeds vaker meldingen van zwervende wolven. Sommige dieren trokken na korte tijd verder, andere bleven langer in hetzelfde gebied. Dat veranderde in 2018, toen zich op de Noord-Veluwe een wolvin vestigde die langdurig in hetzelfde gebied bleef. Later dat jaar sloot een mannelijke wolf zich bij haar aan.
Het echte keerpunt volgde een jaar later. In 2019 werden op de Noord-Veluwe de eerste in Nederland geboren wolvenwelpen officieel bevestigd. Daarmee was niet langer sprake van incidentele bezoekers, maar van een voortplantende roedel. Vanuit ecologisch perspectief betekende dit dat Nederland opnieuw een leefgebied van de wolf was geworden. De ontwikkeling is gedocumenteerd door Wageningen Environmental Research – Wolven in Nederland en wordt jaarlijks gevolgd in de monitoringsrapportages van BIJ12 – Monitoring wolf.
Waarom juist de Veluwe?
Dat de eerste roedel zich op de Veluwe vestigde, kwam voor ecologen niet onverwacht. Al vóór de komst van de eerste wolf wezen habitatstudies uit dat de Veluwe, met haar uitgestrekte bossen, grote aantallen reeën, edelherten en wilde zwijnen en relatief rustige natuurgebieden, tot de meest geschikte leefgebieden van Nederland behoort.
Ook delen van Drenthe en het grensgebied met Duitsland werden als kansrijke gebieden aangemerkt. Daarmee bleek de vestiging van de eerste Nederlandse roedel niet alleen het gevolg van een groeiende Duitse populatie, maar ook van de aanwezigheid van geschikt leefgebied in Nederland zelf.
Het begin van een nieuw hoofdstuk
Met de geboorte van de eerste Nederlandse welpen eindigde het verhaal van de terugkeer van de wolf en begon een nieuw hoofdstuk. Vanaf dat moment draaide de discussie niet langer om de vraag of de wolf Nederland zou bereiken, maar hoe een dichtbevolkt land moest omgaan met een roofdier dat zich opnieuw blijvend had gevestigd.
Daarmee veranderde een biologisch succesverhaal in een bestuurlijk en maatschappelijk vraagstuk. Provincies kregen te maken met schadeclaims, preventieve maatregelen, vergunningen en juridische procedures. Ook de maatschappelijke discussie nam snel in omvang toe.
Binnekort deel 2: De wolf kwam niet onverwacht: van natuur naar beleid
Heeft u een foutje gezien of beschikt u over aanvullende informatie? Neem dan contact met ons op.
Weergaven: 157






