De voorgestelde suikerbelasting van het kabinet leidt tot kritiek vanuit de landbouwsector. LTO Nederland noemt de plannen onevenwichtig, omdat volgens de organisatie twee doelen door elkaar lopen: het verminderen van suikerconsumptie en het structureel binnenhalen van belastinginkomsten. Vooral de keuze om de nieuwe suikerbelasting vanaf 2030 jaarlijks € 900 miljoen te laten opleveren, roept bij LTO vragen op.
De discussie gaat daarmee over meer dan de prijs van een pak koekjes, een vruchtendrank of een ander product met suiker. De manier waarop de belasting wordt ingericht kan gevolgen hebben voor consumenten, voedingsproducenten en uiteindelijk ook voor Nederlandse boeren en tuinders.
Kabinet wil suikerconsumptie met belasting beïnvloeden
Het kabinet wil met fiscale maatregelen de consumptie van suiker terugdringen. De bestaande verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken moet daarom worden aangepast op basis van het suikergehalte. Daarnaast is een afzonderlijke suikerbelasting op eetwaren voorzien. Die nieuwe belasting moet vanaf 2030 structureel € 900 miljoen per jaar opleveren.
De plannen zijn voorgelegd via een internetconsultatie over de suikerbelasting. Daar konden burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden reageren op de voorgestelde regelgeving.
Volgens LTO is het uitgangspunt van een gezonder voedingspatroon op zichzelf niet omstreden. De landbouworganisatie benadrukt dat goede en betaalbare voedingsmiddelen van Nederlandse boeren en tuinders daarin een belangrijke rol kunnen spelen. De kritiek richt zich vooral op de manier waarop het fiscale instrument wordt ingezet.
Twee doelen kunnen elkaar in de weg zitten
Volgens LTO ontstaat een probleem wanneer gezondheidswinst en een vaste belastingopbrengst tegelijkertijd doelstellingen van dezelfde maatregel zijn. De organisatie werkt dat punt uit in haar reactie op de voorgestelde suikerbelasting.
Als de belasting succesvol is, kunnen consumenten minder suikerhoudende producten kopen. Producenten kunnen daarnaast hun recepten aanpassen en minder suiker gebruiken. In beide gevallen neemt de belastinggrondslag af. Daarmee zou een succesvolle gezondheidsmaatregel juist kunnen leiden tot minder belastinginkomsten.
Dat zorgt voor een beleidsmatige spanning. Wanneer de overheid tegelijkertijd rekent op een structurele opbrengst van € 900 miljoen per jaar, kan het verminderen van suikerconsumptie financieel gezien een ongewenst neveneffect worden.
LTO vindt daarom dat gezondheidswinst leidend zou moeten zijn en dat belastinginkomsten het gevolg van de maatregel moeten zijn, niet een vooraf vastgesteld doel. De organisatie waarschuwt dat een vaste opbrengstdoelstelling op termijn druk kan veroorzaken om tarieven te verhogen of meer producten onder de belasting te brengen.
Dat is een politieke en beleidsmatige afweging. Het kabinet kan er immers voor kiezen om de opbrengst als begrotingsdoel te handhaven, terwijl tegelijkertijd wordt ingezet op vermindering van suikerconsumptie. De vraag is dan vooral hoe beide doelstellingen zich in de praktijk tot elkaar verhouden.
LTO wil bepaalde voedingsmiddelen uitzonderen
Een tweede punt betreft de producten die volgens LTO buiten de belasting zouden moeten blijven. De organisatie noemt zuivelproducten en pure groente- en fruitsappen als voorbeelden. Ook verse, gekoelde en ingevroren groente en fruit zonder toevoegingen zouden volgens LTO niet onder de heffing moeten vallen.
Daarbij maakt LTO een onderscheid tussen suiker als grondstof en de uiteindelijke samenstelling van een voedingsmiddel. Volgens de organisatie zegt de aanwezigheid van suiker als agrarische grondstof op zichzelf niets over de gezondheidseffecten van een product.
De gezondheidseffecten hangen volgens LTO samen met de totale samenstelling van het product, de hoeveelheid die iemand ervan consumeert en de plaats van het product binnen het totale voedingspatroon.
Dat argument raakt aan een ingewikkeld onderdeel van de voorgestelde wetgeving. Een belasting op basis van suikergehalte moet immers bepalen welke producten onder de regeling vallen en hoe verschillende productcategorieën worden behandeld.
Gevolgen voor boeren en tuinders
LTO vindt dat de gevolgen voor primaire producenten vooraf onderdeel moeten zijn van de beoordeling. De organisatie noemt naast gezondheid en gevolgen voor primaire producenten ook de uitvoerbaarheid als voorwaarden waaraan het voorstel moet worden getoetst.
Voor boeren en tuinders kan een belasting op voedingsmiddelen vooral indirect gevolgen hebben. Wanneer consumenten hun aankoopgedrag veranderen of fabrikanten hun recepten aanpassen, kan ook de vraag naar bepaalde landbouwgrondstoffen veranderen.
Hoe groot die effecten uiteindelijk zijn, is afhankelijk van het soort product en de manier waarop de voedingsindustrie op de belasting reageert. Een directe conclusie dat de maatregel voor een bepaalde agrarische sector tot een bepaalde omzetdaling zal leiden, kan op basis van het huidige voorstel daarom niet worden getrokken.
Wat gebeurt er met de belastingopbrengst?
LTO stelt daarnaast een andere vraag: als de overheid met de maatregel honderden miljoenen euro’s ontvangt, waar komt dat geld dan terecht?
De landbouworganisatie vindt dat eventuele opbrengsten moeten worden gebruikt om gezonde keuzes beschikbaar en betaalbaar te houden. LTO noemt daarbij het verlagen van de belasting op verse groente en fruit als voorbeeld. Als dat juridisch of praktisch niet mogelijk is, zou volgens de organisatie een ander instrument kunnen worden gebruikt dat een vergelijkbaar effect heeft.
Daarmee ontstaat een bredere discussie over de inrichting van gezondheidsbeleid. Een belasting maakt bepaalde producten duurder, maar dat betekent niet automatisch dat gezonde alternatieven voor consumenten goedkoper worden. De vraag is daarom of prijsbeleid aan beide kanten van die keuze moet worden ingezet.
Gezondheidseffect is niet automatisch gegarandeerd
De gedachte achter een suikerbelasting is dat een hogere prijs consumenten ertoe kan bewegen minder suikerhoudende producten te kopen. Tegelijkertijd kunnen producenten worden gestimuleerd om minder suiker aan hun producten toe te voegen.
Het effect daarvan is echter afhankelijk van het uiteindelijke belastingtarief, de producten die worden belast en de reactie van consumenten en producenten. Ook de beschikbaarheid van alternatieven speelt een rol.
De voorgestelde maatregel moet daarom niet worden gezien als een garantie op een bepaalde gezondheidswinst. Het is een instrument waarmee de overheid probeert gedrag en productaanbod te beïnvloeden.
De discussie over de effectiviteit is daarmee nog niet afgerond. Juist de verdere uitwerking van de belasting bepaalt in belangrijke mate wat de gevolgen in de praktijk zullen zijn.
Voorstel is nog niet definitief
De kritiek van LTO betekent overigens niet dat de suikerbelasting definitief van tafel is. De internetconsultatie is onderdeel van het proces waarmee het kabinet reacties uit de samenleving verzamelt en het voorstel verder kan aanpassen.
De kern van het debat is inmiddels duidelijk. De overheid wil met de suikerbelasting een gezonder voedingspatroon stimuleren, maar rekent tegelijkertijd op een structurele belastingopbrengst van € 900 miljoen per jaar. LTO vindt dat die twee doelen elkaar kunnen tegenwerken.
De komende uitwerking zal daarom bepalend zijn. Het gaat niet alleen om de vraag welke producten uiteindelijk worden belast, maar ook om de hoogte van de tarieven, de uitzonderingen, de gevolgen voor de voedselketen en de bestemming van de opbrengsten.
Daarmee raakt de discussie over de suikerbelasting uiteindelijk aan een bredere vraag: moet een gezondheidsbelasting vooral succesvol zijn wanneer zij veel geld oplevert, of juist wanneer zij er uiteindelijk voor zorgt dat steeds minder mensen de belasting hoeven te betalen?
Heeft u een foutje gezien of beschikt u over aanvullende informatie? Neem dan contact met ons op.
Weergaven: 16





