Wat betekent het verdwijnen van Ongehoord Nederland voor de journalistiek?

Columns

Ik merk dat ik moeite heb met de discussie over Ongehoord Nederland. Niet omdat ik vind dat ON boven de wet staat en ook niet omdat ik alle journalistieke keuzes van de omroep onderschrijf. Journalistiek mag en moet worden beoordeeld wanneer feiten niet kloppen, bronnen onvoldoende worden gecontroleerd of hoor en wederhoor tekortschiet.

Mijn ongemak zit ergens anders. Ik vraag me af wat het voor onze democratie en journalistiek betekent wanneer een omroep die nadrukkelijk een afwijkend maatschappelijk geluid vertegenwoordigt mogelijk uit het publieke bestel verdwijnt. Niet omdat ON altijd gelijk heeft, maar omdat ik vind dat een democratische samenleving ruimte moet houden voor journalistiek die afwijkt van wat binnen de gevestigde media als normaal of aanvaardbaar wordt beschouwd.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is op 8 september 2026 de procedure gestart om de voorlopige erkenning van Ongehoord Nederland in te trekken. Dat is op dit moment nog geen definitief besluit. ON krijgt eerst de gelegenheid om te reageren, waarna de minister een definitief besluit kan nemen. Tegen een definitief besluit staan vervolgens bezwaar en beroep open.

De minister benadrukt dat het haar niet gaat om het geluid of de mensen die ON vertegenwoordigt, maar om het functioneren van de organisatie. Zij wijst onder meer op conclusies van het Commissariaat voor de Media over de naleving van wet- en regelgeving, de besteding van publiek geld, journalistieke kwaliteitsnormen en de bedrijfsvoering. Ook verwijst zij naar sancties en naar problemen rond de samenwerking binnen het publieke bestel. De wettelijke mogelijkheden om een erkenning in te trekken zijn bovendien nauw omschreven in de Mediawet.

Dat moeten we serieus nemen. Een publieke omroep werkt met publiek geld en kan zich daarom niet onttrekken aan wettelijke en organisatorische verplichtingen. Maar daarmee is de journalistieke discussie voor mij niet voorbij.

Journalistieke kwaliteit is iets anders dan journalistieke opvatting

Ik vind dat journalistiek mij niet hoeft te vertellen wat ik al denk. Sterker nog: goede journalistiek mag mij ongemakkelijk maken. Zij mag mijn overtuigingen ter discussie stellen en mij confronteren met informatie die niet in mijn eigen wereldbeeld past.

Journalistiek heeft wat mij betreft als taak om informatie te verzamelen, te controleren, van context te voorzien en macht kritisch te volgen. Dat geldt voor de overheid en de politiek, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, wetenschappelijke instellingen en de media zelf. Daarbij hoort een belangrijk onderscheid: journalistieke kwaliteit en journalistieke opvattingen zijn niet hetzelfde.

Een journalistiek medium kan een uitgesproken maatschappelijke of politieke invalshoek hebben en toch zorgvuldig journalistiek bedrijven. Omgekeerd kan een medium met een uitstekende reputatie fouten maken of onvoldoende kritisch zijn. Het oordeel over journalistieke kwaliteit zou daarom niet afhankelijk mogen worden van de vraag of we de boodschap prettig vinden.

Dat betekent niet dat ON automatisch goede journalistiek bedrijft. Als berichtgeving feitelijk onjuist is, bronnen onvoldoende worden gecontroleerd of wederhoor ontbreekt, moet dat worden benoemd. Journalistieke vrijheid betekent immers ook journalistieke verantwoordelijkheid. Maar dan moet de norm wel voor iedereen hetzelfde zijn.

De publieke omroep heeft juist behoefte aan tegenspraak

De publieke omroep heeft in dat opzicht een bijzondere verantwoordelijkheid. Volgens de NPO vertegenwoordigen de omroepverenigingen maatschappelijke of levensbeschouwelijke stromingen en vormen zij gezamenlijk een afspiegeling van de Nederlandse samenleving. ON is sinds 2022 onderdeel van het publieke bestel met een voorlopige erkenning.

Juist daarom vind ik pluriformiteit meer dan een mooi woord uit beleidsstukken. Een publiek bestel waarin verschillende maatschappelijke perspectieven naast elkaar bestaan, heeft meer waarde dan een bestel waarin vooral consensus wordt georganiseerd.

Dat betekent niet dat iedere mening evenveel zendtijd moet krijgen of dat iedere journalistieke bewering even betrouwbaar is. Het betekent wel dat mensen verschillende perspectieven moeten kunnen tegenkomen en die met elkaar kunnen vergelijken.

De NPO heeft zelf aangegeven dat ON van toegevoegde waarde is voor de pluriformiteit van de publieke omroep. Tegelijkertijd stelt de NPO dat de samenwerking met ON structureel is vastgelopen en dat verdere pogingen om die samenwerking te verbeteren volgens haar geen zin meer hebben. Dat spanningsveld vind ik veelzeggend: zelfs de organisatie die om intrekking heeft gevraagd, erkent de betekenis van ON voor de pluriformiteit.

Daarmee wordt de zaak ingewikkelder dan de simpele tegenstelling tussen “goede journalistiek” en “slechte journalistiek”.

Wanneer wordt handhaving een probleem voor pluriformiteit?

Ik vind het volkomen terecht dat de overheid toezicht houdt op publieke omroepen. Als regels worden overtreden, moet dat gevolgen kunnen hebben. De Mediawet voorziet daar ook in. Zo kan de minister onder bepaalde omstandigheden een erkenning intrekken wanneer het Commissariaat voor de Media binnen een jaar meerdere bestuurlijke sancties heeft opgelegd.

Maar juist omdat intrekking zo’n verstrekkend gevolg heeft, vind ik dat we heel precies moeten blijven kijken naar de onderbouwing. Gaat het daadwerkelijk om het structureel niet naleven van regels en het onvoldoende functioneren van de organisatie? Dan moet dat consequenties kunnen hebben.

Maar er moet tegelijkertijd worden voorkomen dat journalistieke inhoud en organisatorisch functioneren ongemerkt met elkaar worden vermengd. Dat onderscheid is voor mij essentieel. De overheid mag regels handhaven, maar zou niet moeten bepalen welk journalistiek geluid maatschappelijk wenselijk is. Zodra inhoudelijke voorkeuren een rol zouden gaan spelen bij de vraag welke journalistieke stroming wel of geen plaats verdient binnen het publieke bestel, komen we op een terrein waar grote voorzichtigheid noodzakelijk is.

Ik zie liever meer journalistiek dan minder

Als ON-journalistiek tekortschiet, zou mijn voorkeur daarom zijn dat daar betere journalistiek tegenover wordt gezet. Als een bewering niet klopt, laat dan zien waarom. Als een bron ondeugdelijk is, onderzoek die bron. Als wederhoor ontbreekt, benoem dat. Als een reportage eenzijdig is, plaats er feiten en andere perspectieven tegenover. Dat is volgens mij de kracht van journalistiek.

Een gezonde mediasamenleving hoeft niet bang te zijn voor een journalistieke concurrent die een andere werkelijkheid beschrijft. Zij moet juist sterk genoeg zijn om die berichtgeving te controleren, te bekritiseren en waar nodig te ontkrachten.

Dat geldt overigens ook voor ON zelf. Wie een afwijkend journalistiek geluid vertegenwoordigt, kan zich niet verschuilen achter het argument dat kritiek een aanval op de persvrijheid is. Vrijheid van journalistiek betekent ook dat journalisten elkaar kritisch mogen controleren.

Ik wil geen journalistieke echokamer

Wat mij zorgen baart, is een ontwikkeling waarin steeds minder ruimte lijkt te bestaan voor echte verschillen in journalistieke benadering. Een journalistieke echokamer ontstaat niet noodzakelijk doordat iemand bewust besluit bepaalde meningen te verbieden. Zij kan ook ontstaan doordat redacties, journalisten en instituties steeds meer dezelfde uitgangspunten delen en afwijkende geluiden daardoor automatisch als verdacht of problematisch worden beschouwd.

Daarom vind ik het belangrijk dat we onderscheid blijven maken tussen journalistiek die ons niet bevalt en journalistiek die aantoonbaar niet voldoet aan professionele of wettelijke normen. Dat eerste hoort bij een vrije samenleving. Het tweede moet worden aangepakt. Die twee zaken mogen niet door elkaar gaan lopen.

Een publieke omroep moet tegen kritiek kunnen

Ik zou daarom graag een publieke omroep zien die tegen een stootje kan. Een bestel waarin ruimte is voor verschillende maatschappelijke perspectieven, maar waarin tegelijkertijd streng wordt gecontroleerd op feiten, journalistieke normen, financiële verantwoordelijkheid en naleving van de wet. Dat lijkt mij geen tegenstelling.

Juist een pluriform bestel kan fouten en slechte journalistiek beter zichtbaar maken. Wanneer verschillende redacties elkaar controleren, ontstaat er tegenspraak. Wanneer verschillende perspectieven naast elkaar bestaan, kan het publiek zelf vergelijken. En wanneer een omroep de fout in gaat, kunnen andere journalisten dat blootleggen. Daar wordt de samenleving uiteindelijk beter van.

De procedure rond Ongehoord Nederland gaat daarom voor mij over meer dan het voortbestaan van één omroep. Zij raakt aan de vraag hoeveel ruimte er werkelijk is voor journalistieke diversiteit binnen het Nederlandse publieke bestel.

Ik wil ON niet beschermen tegen kritiek. Ik wil ook niet beweren dat de bezwaren tegen de organisatie onterecht zijn. Als er sprake is van structurele overtredingen, moet daartegen worden opgetreden. Maar ik vind wel dat we onszelf een ongemakkelijke vraag moeten blijven stellen: zijn we sterk genoeg om een journalistiek geluid dat ons tegenstaat niet het zwijgen op te willen leggen, maar het met betere journalistiek van repliek te dienen?

Want voor mij betekent persvrijheid niet dat iedereen gelijk krijgt. Het betekent dat een journalistiek geluid niet eerst door de meerderheid goedgekeurd hoeft te worden voordat het gehoord mag worden.

Een democratie heeft geen behoefte aan uitsluitend stemmen die elkaar bevestigen. Een democratie heeft tegenspraak nodig. Juist wanneer die tegenspraak ongemakkelijk wordt.

Mike Tomale

Heeft u een foutje gezien of beschikt u over aanvullende informatie? Neem dan contact met ons op.

Weergaven: 79